Follow by Email

zondag 16 april 2017

Merlijn - Bastille

“Ja, ja”, mijmerde Merlijn, “de Bastille.” Hij keek naar Legolas, knikte, en keek vervolgens mij aan. “Toen de Europese mens zijn eeuw van Verlichting binnenstapte werd alles ratio. Het werd een verplichting en alles wat niet strookte met ‘een plus een is twee’ werd in de ban gedaan. Het grote gelijk door ontkenning, een meer dan menselijk principe. Statistieken, bijvoorbeeld, zijn daarvoor een heel goed hulpmiddel. Je turft als het ware naar je gewilde uitkomst toe, maar soms lukt dat niet, dan liggen er van die verdomde enkelingen dwars. Die kun je op twee manieren elimineren: ontkenning, of met de beruchte zegswijze: uitzonderingen bevestigen de regel. Welke regel? Nou ja, die je daarnet nog zelf hebt opgesteld.” Hij zuchtte. “Herken je het?”
Ik knikte.
“Geen enkele andere soort bedient zich van dat soort trucks, bedoelt om het eigen gelijk te onderbouwen. Gelijk hebben is een menselijke eigenschap, en een heel kwalijke bovendien”, vervolgde de tovenaar. “Dat gelijk bestond natuurlijk al voor de Verlichting toen vooral de religies verderf en verdoemenis predikten, maar keerde plotseling, stond het gelijk plots aan de achterkant geschreven toen de tijd van de ratio zijn intrede deed. Ineens was het vooral ongelijk wat eeuwen gelijk was geweest en dat ongelijk moest worden uitgevaagd; ausradiert, waarmee een later Herrenvolk zijn gelijk wilde bevestigen. Sprookjes mochten nog net, maar moesten wel sprookjes en fabels blijven. Ze hadden niks te maken met het ‘echte’ leven, wisten de wijsneuzige rationelen. Dat dit voor een tovenaar als ikzelf niet zo’n leuke boodschap was, laat zich raden. De mensheid kreeg heel wat vakbroeders te pakken die op de guillotine van de Verlichting sneuvelden. Wij hadden namelijk een nadeel: we hadden nooit in het verborgene hoeven werken. Niet dat wij ons breed manifesteerden. Aanzien of geldelijk gewin interesseerde ons niet, maar er waren er toch heel wat die ons met hun neus konden aanwijzen. ‘Die daar! Dat is een tovenaar!’ En hup, daar ging er weer een, afgevoerd in kluisters, rijp voor het schavot en de beul. Ja, ja, de Weters van de Verlichting! 
Maar goed. Uiteindelijk kregen ze mij ook te pakken natuurlijk. Het was een kwestie van tijd, al had ik mijn voorzorgen genomen. Ik toverde wat ik kon, maar in het verbergen voor de massa waren we gewoon niet ervaren genoeg om uit hun handen te blijven. Op een kwade dag hadden ze mij te grazen, maar ik had geluk. Misschien was de beul met vakantie of had hij een koutje gevat, in elk geval werd ik niet onmiddellijk naar het schavot geleid. Ze stopten mij in de diepste en donkerste krochten van de Bastille, de Vergeetput genoemd. En dat was het: een hol in de grond met een traliehek als luik waar ze je achterlieten om te verrotten, en wat die Verlichting betreft: het was er aardedonker!
Daar zat ik dan tussen de knoken van voorgangers en wat scharrelend gedierte op zoek naar mij als voedsel. Ik moest eruit. Ik was de laatste tovenaar tussen de mensen. Zelfs Hanoman de Wijze hadden ze te pakken gekregen en opgehangen voor hij kans zag zijn krachten aan te wenden om zich te bevrijden. Ik was de jongste van het gilde, maar ik moest daaruit om te voorkomen dat ook de laatste verbinding met de totale kosmos werd verbroken. Dat zou rampzalig zijn, want niets kan in zijn eentje bestaan, daar komt de mensheid nu beetje bij beetje wel achter, al gaat dat ontdekken lang niet vlug genoeg.
Het zou mij in mijn eentje nooit zijn gelukt. Ik had stomweg geen ervaring met vaporiseren en materialiseren van mijzelf. Ik wist dat het bestond om jezelf te delen in de stofdeeltjes waaruit we bestaan, maar zonder hulp was het onbegonnen werk. Ik had me vooral toegelegd, wat het redden van mezelf aangaat, om mijn hoofd van mijn lichaam te scheiden zonder dat daardoor de functies werden aangetast…” Als demonstratie nam de oude zijn hoofd tussen zijn handen en zette het naast zich op de tafel, waar het vrolijk verderging met het vervolg van zijn verhaal.
“Niet lang voordat ik gevangen werd genomen had ik een onderhoud met Legolas hier, waarin ik mijn bezorgdheid voor de toekomst met hem besprak. Hij probeerde mij weliswaar gerust te stellen, maar hij begreep best de ernst van de situatie.” Hij keek naar de elf. “Neem het maar over, want dit is jouw aandeel.”
Legolas schraapte zijn keel. “Ik zag van dichtbij wat er gebeurde. Zonder tussenkomst van een tovenaar is een elf onzichtbaar voor mensen. Ik volgde de optocht, want om een tovenaar gevangen te nemen vonden mensen altijd dat ze met heel veel moesten zijn, al geloofden ze niet in zijn krachten”, schamperde de elf. “Ik wachtte tot ook de laatste diender was vertrokken voordat ik het tamelijk zwakke ijzer van het traliehek begon te bewerken. Dat is op zichzelf vrij eenvoudig; de deeltjes waaruit de kern bestaat worden in vuur weliswaar samen gesmeed en grijpen daardoor tamelijk vast in elkaar, maar het is als bij een puzzel: als je tegen de lipjes drukt vallen ze vanzelf uiteen. Dat drukken gebeurt natuurlijk mentaal. Dat is de meest menselijke beschrijving die ik ervan kan geven. Goed! Het traliehek verkruimelde, maar de put was diep en de agenten hadden de ladder meegenomen. Daarom ging ik op die vieze vloer liggen”, Legolas gruwde toen hij eraan terugdacht, “en liet stukje bij beetje mijn beide armen groeien”, en ook hij demonstreerde zijn kunnen voor mijn verbaasde ogen, “waarlangs Merlijn omhoog kon klimmen.”
“We waren er nog niet. We moesten die verdomde Bastille uit zien te geraken. Dat was voor mij geen probleem, maar hoe moest het met Merlijn?”

“De oplossing was een weinig toverachtig concept. In mijn hoedanigheid als onzichtbare elf overmeesterde ik een wachter die een verdieping hoger zat te slapen. Ik sleurde hem naar beneden, kleedde me in zijn stinkende plunje en dropte zijn lichaam in de Vergeetput waar hij door de val dood en gebroken, als voer voor al wat daar scharrelde, bleef liggen. Merlijn zorgde ervoor dat ik voor mensen zichtbaar werd en samen liepen we naar boven. Ik in de hoedanigheid van wachter met de tovenaar als mijn gevangene die voor verhoor naar de prefect moest worden gebracht. Eenmaal buiten escorteerde ik hem natuurlijk niet naar de kantoren van de prefectuur, maar nam hem mee naar Elfenwereld waar Merlijn bleef tot het klimaat weer minder gewelddadig werd, en tovenaars allang vergeten.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen