Follow by Email

woensdag 16 januari 2019

Epos over de mens XXX


Wij zijn bezorgd maar wat doe je eraan
om te voorkomen dat we naar de klote gaan?
Ik ben al klootjesvolk geweest,
daarna dominee of pastoor;
het maakte allemaal niet uit, want de anderen vierden feest,
bij hen vond ik geen gehoor;
zij bleven in de roes van niet gebeuren:
het kan niet dat het zo zal gaan
omdat wij altijd zijn geweest, er is geen andere manier van leven
dan alles te geven wat we hebben
aan het beest van almaar meer
dat almaar minder laat,
is nu eenmaal hoe het gaat.
Zo was het toen, is het nu en zal de toekomst zijn!

Het feest van copulatie en corpulentie werd gevierd
tijdens De Sade’s braspartij op het altaar van ’s namiddags 
in het oerdomein van gelukzalige momenten
ging de pot met honing rond,
de lepel tot het heft verzwolgen
kende verder geen gevolgen dan het besef
dat diegenen zonder lef de prijs betaalden
voor het gelag dat lachend werd verorberd.
Veegden de smoelen hun doekje af
aan de broek van wie naast hen zat,
besmeurden ze elkander of de ander
met het doekje voor het bloeden in handen.
Grimmig, alle tanden bloot, mannen zowel vrouwen
vouwen de benen onder zich, prevelen hun dank
hoogmoedig huichelen zij elkaar,
negeren het gevaar dat langzaam nader sloop,
sloopte het de hoop van wie achter was gebleven,
eenzaam en alleen was niets te geven of te nemen,
te laten desnoods tijdens de geboorte van de dood.

dinsdag 15 januari 2019

Epos over de mens XXIX


Te voet hinkte ik op een been naar waar ik slapen kon
en vond, was het andere been mij voorgegaan,
mocht ik eindelijk mijn hoofd afleggen, moe van het ontdenken 
ontkrachte ik zijn wenkbrauwboog en knikkerde met pupillen
terwijl ik een hand verloor…, of twee,
maar ook daar zat ik niet mee.
Waren mijn billen al langer aan de haal,
maakten al lang geen deel meer uit van mijn verhaal
zonder begin noch eind omdat alles wederkeert
in hele kleine stukjes zich verdeelt, verstrooid
aan anderen hechten
waar ze misschien wel net zo gelukkig zijn
of toch tenminste het netwerk vlechten
van ons, van alles en iedereen
zonder te beseffen dat al die deeltjes eender zijn.

“Maak het bed maar op”, zei ik tegen de vrouw
terwijl zij zich bukte zodat ik haar nemen zou
floot zij een wijsje van overvloed,
niet dat het er iets toe doet tijdens de daad
die ons met zoveel hier heeft gebracht.
Was dit hét teken aan de wand en ik trok terug,
gebruikte mijn verstand in plaats van vermenigvuldiging,
verspilde wat ook niet voor haar was bedoeld
maar voor dat wat na ons kwam,
een zegening van daad uit lekkernij,
beschuit met muisjes en rijstebrij,
ranja met een rietje desnoods of een hazelnoot,
al wat jij het liefst zou lusten tijdens de lust van het moment
had ik dat wat wij verwekten niet eens gekend,
want wie kent de ander, niet eens zichzelf,
kennen wij de voortgang door wilde hoop, elke generatie weer
prikken wij ons vast in ons geloof op wederkeer.

maandag 14 januari 2019

Epos over de mens XXVIII


Het beestje vroeg het mij, klein maar dapper
krieuwelden zijn pootjes, flapten zijn vleugels
op de stormwind van alledag riep ik om hulp
wanhopig vastgeklemd aan de lantaarnpaal,
niet bij machte een sigaret op te steken
met bevende handen tussen klappertanden
floot ik mijn laatste lied dat ik van het beestje had geleerd
nog voor het verteerde op het vloeipapier 
waar ik de brand in stak verwaaide zijn as
op de maat van de wind, bijgelicht door bliksemse donder
was het allerminst een wonder dat huizenhoog
niet meer dan een hutje was; daar waar ik leefde
waren alle beestjes inmiddels verdwenen,
genoot ik van de rust van het alleenzijn
en misschien nog een enkel ritselend blad,
niet meer dan een tierelantijn, waarvan ik er nog zat bezat.  

Beter feest dan alle dagen schijn
van hoop moet het zijn
of toch gewezen is, zoals ik reeds zei
tegen de lange rij wachtenden die voor mij was,
keurig in de pas van een systeem waarvan ik niets begrijp
hoewel ik er deel van ben
deelt het mij in te veel stukken die niet meer te lijmen zijn.

zondag 13 januari 2019

Epos over de mens XXVII


Traditie als commerciële hoogmis, illustratie van identiteit,
geen gekheid, dit is werkelijk zoals het is.
De mis gemist, maar feest blijft bestaan, dat laten wij ons niet ontgaan,
nog niet misschien. Het onderste uit de kan tot ie barst;
barst dan ook, verdomme, het kan mij niet schelen
zoals zovelen, de meesten kunnen mijn bloed wel drinken,
zo zoet dat het er niet toe doet of het mijn is danwel d’ander,
jong, wat geeft dat nou? Pluk de dag, verdomme!
en hou je niet van de domme want je doet het zelf
zoals iedereen paradeer je door de straten van stad of dorp
in je paasbeste nieuwe pak, de haren in model,
de nieuwste iPhone tegen je kop terwijl je met niemand belt
stap je in je glanzend nieuwe BMW en hoopt dat iedereen het ziet,
elektrisch aangedreven met de sticker van groene energie
tegen de voorruit geplakt flikker je de vuilnis in de berm van de weg,
ongezien, geen mens in de buurt, haal je hem uit je broek
pist eroverheen, de dikke middelvinger opgestoken,
verdoken scheur je de wereld rond in je jet,
want dat is je recht terwijl je schoorstenen roken
verkoop je je prullen aan alleman
en vertelt ze dat het niet zonder kan.

zaterdag 12 januari 2019

Epos over de mens XXVI


In den beginne was er niets, zelfs geen zwart; niets
is onvoorstelbaar, ook geen leegte; dan… Pang! De Big Bang;
oerknal knalde het niets in brokken en stukken, vulde de leegte,
klonterde samen tot planeten waarvan de onze, groen en blauw,
leven bevatte op de duur, klein tevoorschijn kroop,
kolossaal werd en verging om plaats te maken voor nieuw
dat ons werd als vijfde poging; vergaan wij ook? Door eigen hand?
Vraag ik mij en staar in het niets, naar iets, onszelf misschien
of naar wat wij hebben geschapen, blaten de producten ons aan
vanuit elke etalage, vanaf elk scherm knalt het in onze ogen
waar het onze hebzucht scherpt en nog meer kopen,
hollen wij de grond onder onze voeten waarop wij staan,
waarin dromen voor eeuwig verzakken,
verzinken wij in leegte door onszelf ontstaan.

vrijdag 11 januari 2019

Epos over de mens XXV



Waarom verheffen wij ons tot de overtreffende trap van leven? 
Schuilt hierin het hiernamaals, de ultieme afrekening 
omdat het telkens weer naar vernietiging leidt? 
Is dat waarom wij zijn, omdat alles ooit moet vergaan?

Het regent goede doelen die zo goed niet zijn
omdat het illustreert hoe weinig wij om elkaar geven
zolang goede doelen nodig zijn is blijkbaar niet vanzelfsprekend
dat de een de ander steunt zonder dat het is georganiseerd,
zonder dat wij ons smoel vertonen voor een afkoopsom
die anderen in de kou laat staan zodra het actualiteit is geweest.

De keuze is aan de democratie, wordt gezegd
maar wat valt te kiezen uit wie zichzelf benoemen,
een zeteltje bemachtigen om hun kont te draperen,
kiezen wij tegen onszelf als gekozenen hun eigenbelang verdedigen.
Angst voor chaos laat ons stemmen 
zoals een kind dat angst voor het donker heeft
kruisen wij massaal het hokje van onze keuze
om gekozenen in staat te stellen ons te koeioneren.
Wat is vrijheid waard in zulk democratisch bestel?
Dan liever chaos om het eigen boontje te doppen
omdat chaos niet chaotisch is wanneer mensen leren denken
leren zij ook de waarde van de ander waarderen
zodra angst voor die ander verdwijnt.

donderdag 10 januari 2019

1st pics of 19 (Maastricht - NL)

click pic to enlarge

buizerd - buzzard, Biesland



vink - finch, Wolder



houtduif - wood pigeon, Campagne

vink - finch


koolmees - great tit, Daalhof

mussen - sparrows

vink - finch


staartmees - long-tailed tit



koolmees - great tit


pimpelmees - blue tit, Hazendans

roodborst - robin



kokmeeuw - black-headed gull

Daalhof

pimpelmees - blue tit



Epos over de mens XXIV



Vanuit elke uithoek loert het gevaar, slaat zijn klauwen uit,
messcherp scherpt het grijnzend zijn ongeluk
dat massieve bergen doet verkruimelen, land de zee intrekt
en achter sluiers van dik dreigende wolken
weerlicht vulkanisch doet donderen,
zijn de wonderen voorgoed de wereld uit,
hebben haar verlaten, niet eens verborgen zoals gehoopt
maar verzwolgen door wat ooit een paradijs moest zijn
van groen en blauw en vele kleuren, geluiden
zwijgen doodstil omdat niemand ze nog hoort
na de oorverdovende Apocalyps die ons van elkander reet
om wat wij met ons  allen hadden gedood. 

Tegenstrijdig strijdende kampen beroepen zich op hetzelfde,
claimen te handelen in Zijn naam om zich te verrijken,
zijn opperste plaats te bemachtigen als rechtvaardiging 
voor een niets ontziende lust tot vernietiging.
Het uit zich in elk argument, op elke hoek van iedere straat 
meent iedereen gelijk te hebben zonder te weten wat het is.
Zo verschillend leidt kleur al tot controverse
in wat wij geloven en of beloven
beroven wij de ander van zijn gelijk en koesteren het eigen,
superieur denkt zelfs de minste zich te verheffen,
de ander te overtreffen en reikt daarmee zelf
naar het goddelijk beginsel, een hersenspinsel
is niets gelijk aan elkaar waarin wij allemaal eender zijn
aan de bomen in het bos, de wormen in de aarde,
bruin, zwart, groen of geel doen niet terzake,
verzaken wij aan onszelf, overschatten onze waarde
van wij als individu, hebben we nondedju 
nog niet in de gaten en willen niet begrijpen
dat we allemaal zijn zoals de rest.

woensdag 9 januari 2019

Epos over de mens XXIII



Migratie van migranten zwermt over de wereld,
vluchten wij allen tezamen maar weten niet naar welke hoek
wij ons moeten haasten
om uit de klauwen te blijven van wat ons bedreigd,
zijn wij nergens gewenst en overal teveel.
Toch zijn wij ook maar mensen zoals wie ons niet kan velen,
wie zich bedreigd voelen door ons, och arme;
bang dat wij afpakken wat van hen is,
dat zij van ons hebben gestolen:
onze grondstoffen en ons klimaat, onze veiligheid
hebben zij ons afgenomen.
Nu weten wij niet meer waarheen, waarnaartoe,
zelfs met een vodje papier als verdrag blijven wij taboe.

De ark zeilde zonder brandstof en voer de wereld rond
op zoek naar een haven, een plaats om aan te meren
maar alles was bedolven onder oorlog en geweld,
huizenhoog van water, van storm en schade, hebzucht naar geld
dat geen waarde meer had maar als symbool kon tellen
voor wie niet anders dan goud kon zien
waarop hij kon bijten, zijn tanden stuk zonder zijn honger te stillen,
bleek het echt goud, boterzacht keek hij naar de afdruk in het metaal
en grijnsde tevreden toen een kramp hem naar zijn maag deed grijpen
slikte van pijn en verzwolg wat hem zo dierbaar was.

dinsdag 8 januari 2019

Epos over de mens XXII



De president van het grote land staat niet bekend om zijn groot verstand
en daarin is hij niet alleen. Er zijn er steeds meer die denken te regeren
terwijl ze feitelijk vegeteren op hetgeen al is, er al was
voordat zij werden verkozen door wie zijn onderbuik moet lozen
uit angst voor het niet begrijpen laten zij hun plannen rijpen,
marcheren door de straten waar ze luidkeels hun ongenoegen kwaken.
De president zit spinnend in zijn web en koestert zijn gelijk,
ziet dat het goed is voor hemzelf en zijn naasten;
de rest…, och die neemt hij nogmaals in de zeik
zolang ze hem maar steunen kan het hem niet deren
dat de meesten zullen creperen onder zijn beleid.
Maar ook het eiland raakt bedolven en geïsoleerd,
daar is geen toekomst voor nodig, dat hebben we uit het verleden al geleerd
dat alleen maar alleen is, verstoken van de rest,
verdeelt het bovendien in versnipperde regionen
die elk hun eigen weg willen gaan,
denken te weten wat goed is voor ons allen
terwijl, uiteindelijk, iedereen alleen komt te staan
waar saamhorigheid zou moeten om leiderschap te tonen.
Zij weten zich geschraagd door wat van boven komt,
vanachter de donderdikke wolken, een man met baard
wiens mening zij beweren te vertolken…

Boeboekuil



Het vierde en laatste deel in de reeks over de uilen van boerderij Daalhoeve.

De boeboekuil is een kleine bruine uil met een groot verspreidingsgebied in Australazië en Oceanië.

Hij is zo’n 29 cm en weegt tot 216 gram. Hij verschilt van andere valkuilen door zijn klein formaat in combinatie met een typisch "gezicht". Deze uil heeft rondom de ogen een donkere vlek die weer is afgezet met een lichte rand. Vandaar de bijnaam ‘gemaskerde uil’. Hun voedsel bestaat uit insecten en vogels die ze in de vlucht vangen.

Deze uil is niet kieskeurig in de keuze van zijn leefgebied. Allerlei landschappen variërend van regenwoud tot savanne, plantages, boomgaarden, parken, tuinen en bomen langs de straat, zijn geschikt. Het is in Australië de meest voorkomende uil.

De naam komt van zijn roep die klinkt als “boeboek”. 

Overdag slaapt de uil. Dat doet hij op een vaste plaats die de roestplaats wordt genoemd. Uilen zijn op hun roestplaats heel moeilijk te ontdekken. Ze houden van een landschap met bomen en weilanden. Boeboekuilen wonen samen in familieverband en jagen voornamelijk wanneer het donker is.


bron: Wikipedia


zondag 6 januari 2019

Epos over de mens XXI



Alles is om ons, meent de mens, geloven wij
boosaardige creaturen. Kunnen wij niet velen
dat het is om zichzelf; niet in functie van,
want dat kan ons niet schelen; dat levert geen profijt,
geen meerwaarde of groei, zomaar om de eigen bloei
kan ons niet bekoren. Daaraan lopen wij voorbij;
onkruid dat in onze tuinen woekert,
schadelijke beestjes die ons steken
of hamsteren knagen aan ons groen,
want het is van ons, daar is het om te doen.
Wij bezitten, nemen desnoods als het niet van iemand is
kunnen wij de streken van de vos niet appreciëren,
knaagt de muis, de rat en het konijn,
zulke stukken venijn, krijg toch de kolere
want het is van ons, dat gebroed heeft geen rechten
zeg ik je, want de aarde is alleen van ons,
het komt ons toe alles te knechten
tot en met onszelf, dat valt niet te keren.
De mens is zijn eigen god met zijn eigen zelfzuchtige gebod
tot alles is verloren en dan nog voelen wij ons uitverkoren… 

zaterdag 5 januari 2019

Epos over de mens XX


Weet je; we gaan dood, of geloof je het niet?
Kan niet verdommen wat je eet of drinkt, welke dokters je bezoekt;
het is ons lot om dood te gaan, al probeer je het nog zo te rekken
met gezonde voeding die je niet meer mag eten
omdat zelfs het gezondste uiteindelijk je dood betekent
omdat zelfs in het gezondste stoffen zijn te vinden
welke tenslotte bijdragen aan dat je vergaat.
Er is maar één manier om gezond dood te gaan:
stoppen met eten en drinken tot je ons verlaat.
En dan nog kruipt er lucht in je longen, vergiftigd je systeem
met lullig kleine partikels die je langzaam smoren
tot het tot over de oren in je zit, je wurgt
met d’een of andere ziekte die je van te leven krijgt.

Waar het leven scheten laat boeren de doden
op hun akker, makker naast makker kwaakt een eend
de vijver bijeen en vluchten gans de ganzen
overhaast naar het zuiden nu de winter komt en gaat
de lente nog even blijft verpozen
voordat de zomer ons verschroeit,
zijn winden blaast van aangezicht tot aangezicht,
tenslotte zwicht voor een nieuwe herfst
die niemand ooit nog heeft gezien
omdat bladeren niet willen vallen,
in plaats daarvan ten hemel stijgen
op het lang aanhoudende waaien
draaien kraaien hun rondjes in het zwerk
dat leeg lijkt zonder vliegend tuig
dat ons moest bedienen van zon, zee en strand
voor een habbekrats, of hooguit een appel en een ei,
maar die tijden zijn voorbij nadat de laatste was geland
op het door mensen verlaten strand
waar nu weer scholeksters en meeuwen dansen
met elkaar en met andere pikkedieven 
de laatste kruimels van ons allerlaatste broodje klieven.

de kerkuil


Het derde artikel in de reeks over de uilen van Daalhoeve gaat over de kerkuil.

Zoals bij veel andere uilen (en ook roofvogels) is het vrouwtje iets groter en zwaarder dan het mannetje. De vogel heeft een dikke kop met donkere ogen en is aan de bovenzijde goudbruin gevlekt en aan de onderzijde licht gestippeld. Deze uil heeft lange poten en is ongeveer 29 tot 44 cm groot.

’s Nachts gaat de kerkuil op zoek naar kleine knaagdieren en soms ook kleine vogels. Hij jaagt vanaf een lage zitpost of vliegt laag boven de grond. Boomholten, ruïnes, schuren en bijgebouwen worden als rust en nestruimte gebruikt.

Ze zijn heel wijdverbreid en komen bijna overal op de wereld voor. Ze leven in open of half-open laagland waaronder cultuurland als steden, dorpen en landbouwgrond.

Tot in de jaren 1950 broedden er in Nederland tussen de 1800 en 3500 paar kerkuilen. In de jaren 1960 ging dit snel achteruit. Veranderingen in het agrarisch bedrijf, zoals de vervanging van graanschuren door silo's werkten nadelig, omdat de schuren een geliefd jachtterrein waren van de kerkuil. Na ook nog een strenge winter werd een dieptepunt bereikt in 1979 waardoor hoogstens 100 broedparen overbleven.

Het plaatsen en onderhouden van speciale nestkasten bleek succesvol. Na 1989 ging het steeds beter met de kerkuil en broedden er uiteindelijk weer tussen de 1.150 - 2.000 paar. De vogel blijft nog wel bedreigd door de enorme toename van het autoverkeer en de eenvormigheid van het agrarische cultuurlandschap (intensieve landbouw).

Bij ons in de streek zie je de kerkuil niet veel, maar dat komt misschien ook omdat hij een nachtjager is. Wanneer hij jongen heeft begint deze uil al vroeg in de schemering te jagen. Dan maak je de beste kans om de vogel waar te nemen.


bronnen: Wikipedia, Vogelbescherming



Epos over de mens XIX



Vreselijk, foert, ga weg, ik heb je gewist van de harde schijf 
draait met een rotvaart rondjes rond de buitenbocht, 
vliegt de zwaan rond je oren, toetert je verpletterzucht, 
boren wij je ogen, tanden, tong zodat je niet zult zien, 
noch proeven dan wel horen wie je uitlacht om wat je deed,
liet je deze scheet uit angst nog dieper te vallen 
dan al niet meer kon sinds je de bodem bereikte
van het lege vat, geen plonsje meer, niet de kleinste spat, 
heb ik het wel gehad met jou en je elektrisch rijders, 
windmolens bouwers, zichzelf voor de gek houders 
slaan zich er niet doorheen, krijsen als gek om wat zij verloren,
hun gezicht dat toen nog zeker wist dat we het zouden redden, 
de aard van het beestje het wel zou doen met voldoende poen 
om te scheppen, hoog te bouwen; hosanna kraaiend 
blies het hoog van de toren, was niet te horen boven het tumult
van kwaaie pieten die het dal verlieten,
vergeefs probeerden op te krabbelen, de hoogte in
waar ze niet zouden geraken omdat de toren bezweek
en op de meute krabbelende hoofden landde.