Follow by Email

dinsdag 22 januari 2019

Epos over de mens XXXVI


“Wacht maar. Ik krijg je wel”, lachte hij om haar angst
die in straaltjes langs haar benen dreef,
het gras aan haar voeten van water voorzag
dat dankbaar omhoog blikte onder haar rok
waar de waterval ontsproot in deez’ dorstige dagen
liet het gras zich niet verlagen en kleurde groen
na het bruin van toen de zon nog scheen.

Mens heeft geen idee waarover het leven gaat,
schaart zich massaal achter de nieuwste uitlaat
om te snuiven; het snufje maakt zo blij,
speeltjes blijven blind van vertrouwen
waar het individu wel bij vaart
daar valt aan te verdienen.
Zie zijn ogen vol van zakken geld,
zakken al af, geen speld tussen te krijgen.
Alle hoop op zichzelf gericht, het is geen gezicht
voor wat met hem moet wonen,
laat het zich zichzelf toch klonen,
zo snel nadert het einde in gezwinde pas
waarover ik laatst nog in een boekje las:
‘Stel dat er een god bestaat
en dat die zich tussen ons neder laat,
dan zullen zij die hem aanbidden
de eersten zijn om hem uit hun midden te verjagen’;
is Mens ten voeten uit, van zichzelf overtuigt, de waarheid in pacht;
dat had je gedacht! Mens heeft het niet voor het zeggen.
Er zijn nog anderen die hun eitje leggen,
een plaatsje hadden in het geheel.
Het was Mens echter te veel. Het wilde al,
geen beetje voor wat anders
tot de hakbijl viel en Mens verdween… voorgoed, overal…

maandag 21 januari 2019

the day before the promised snow

click pic to enlarge

Cannerberg hill

Wolder (NL)

Cannerberg hill (NL)

torenvalk - kestrel, Wolder (NL)

roodborst - robin, Louwberg hill (NL)

buizerd - buzzard


torenvalk - kestrel, Vroenhoven field (B)

mergelland schapen-sheep, Wolderfield (NL)


Vroenhoven (B)

torenvalk - kestrel, Millennium forest (NL)


buizerd - buzzard, Kanne (B)

boomklever - nuthatch, Cannerbos (forest) (NL)





merel (v) - blackbird (f)


roodborst - robin, Millennium forest (NL)


Wolderfield (NL)






buizerd - buzzard, Vroenhoven field (B)


Epos over de mens XXXV


Het valt niet mee om niet te roken tijdens het koken
van een potje overloop. Wildgebraad en wildgeraas
wonen niet ver vaneen; op steenworp afstand
met niets ertussen dan ernaast waar van tevoren
nog een toren stond te pronken met zijn licht
dat duister de dag bescheen, de nacht niet wilde kennen
omdat het ook in het verleden altijd donker is geweest,
dat baarlijk duivels beest; overdag immer te slim,
weet het telkens te verjagen…

Ik zat nog aan tafel toen zij werd gehaald,
het mes haar dwong te gaan waar zij niet wilde,
nog nooit had gestaan, was ik begaan
met het lot van haar en haar naasten
die niet wisten waar zij was, want het gaf geen pas
het hun te vertellen, waarom zij bleven bellen
als vorm van hoop maar tegen beter weten,
zij toch niet op zou nemen, het echt niet kon
want een mes heeft immers geen geweten,
het bekommert zich niet om de persoon
maar doet gewoon waarvoor het is ontworpen;
snijden, hakken en zelfs geworpen raakte het haar keel,
haar vlees onbestand tegen het teveel
aan vlijmscherp staal werd haar uiteindelijk fataal.
Zo doden de levenden de doden,
het vonnis dat ons allen wacht,
waarvan wij gruwen, al weten wij al van bij de conceptie
dat het onontkoombaar naar ons lacht,
ons toegrijnst van dag een
zijn onze dagen geteld, neuken wij op hoop van zegen
wat wij onmogelijk kunnen ontlopen,
laten ons zelfs dopen om het vonnis te ontgaan
van ons onbeduidend immens korte bestaan.