Follow by Email

woensdag 30 september 2020

waanzin water

Toen de regen kwam verraste het iedereen, zelfs de weervoorspellers.

Straten en pleinen vol dansende naakte mensen. Het water zo welkom, de dorst zo groot en de lijven zo vuil. Het volk huilde, jammerde en joelde; blijdschap, boosheid…

Vooral boosheid, maar waarop, op wat of wie?

Waarom was het weggebleven? Waarom…? Het levensnoodzakelijke water…, zolang verstoken…

Er was geen tuin meer over, geen park, geen plantsoen. Mensen, vooral ouderen, te jonge kinderen omgekomen van dorst. Waaraan hadden ze het verdiend? Ondanks blijdschap toch vooral veel onbegrip.

Donald had niemand verteld over zijn geheime voorraad, de diepe put in de kelder die hij dag en nacht bewaakte, al leek het goedje inmiddels meer op een troebel stinkend riool. Het was goud en goud stinkt niet…

Zijn ogen glommen van koorts. Hij had het onder de leden maar was zich daarvan niet bewust. Hij was zich nooit bewust behalve van zichzelf. Donald deed ertoe. Dat vond híj tenminste. Zijn aanwezigheid, het simpele feit dat hij bestond, zou het verschil maken. Daarom was het zijn recht al waren privé putten verboden. Dat gold niet voor hem. Hij als enige uitzondering omdat hij en hij alleen ertoe deed.

Donald minachtte de anderen. Wie, deed er niet toe. Het waren allemaal losers. De wereld zat er vol mee. Daar kon hij toch niets aan doen? Hij had de wereld niet gemaakt want dan zou het anders zijn, hoewel… Het voelde best lekker, zo in zijn eentje aan de top.

Hij was onoverwinnelijk, onsterfelijk zelfs, en als… Nee, dat kon eenvoudig niet.

Moet je dat zooitje zien dansen; blij met een druppel water. Idioten! Hij zou ze allemaal moeten neermaaien. Dat kon hij. Het was goed dat hij het arsenaal had aangelegd toen het nog kon, voor die belachelijke wet het verbood. Hem controleerden ze niet. Ze zouden niet durven. Hij was tenslotte de Donald!

De Donald haalde zijn neus op, spuugde om te laten zien dat hij het overtollige water kon missen. Hij kwam niets te kort, niet zoals die jandoedels die met geopende mond in het rond sprongen, in plassen spetterden, elkaar nat spatten. Met welke zin? Ze waren al allemaal nat.

Nu was het wel genoeg. Hou nu maar op met die hoosbui. Donald blikte kwaad omhoog. “Stop, verdomme!”

Het water bleef komen. Straten werden rivieren, kelders liepen onder. Donald dacht aan zijn eigen kelder en rende in paniek naar beneden.

De heilige put stroomde over. Alles stond blank. Hij liet zich woedend op de knieën vallen en probeerde het water met zijn handen terug in de grond te dwingen. Hij schepte en schepte maar het water bleef stijgen, bereikte zijn borst, zijn hals, zijn mond… en nog schepte hij als waanzinnig. Hij zou winnen want hij was de Donald.


Dagen later werd hij gevonden, starend naar het plafond waar hij inmiddels tegenaan dreef. Zijn lijf opgeblazen van water, gerimpeld, wit als perkament, verzopen in zijn eigen waanzin van vloeibaar goud…

maandag 28 september 2020

oefening

“Weet jij wat ik moet schrijven?”, vroeg de student zijn mentor.

“Over jezelf?”

“Ik weet niets over mezelf.”

“Dan heb je blijkbaar nog niet geleefd en wordt het tijd daarmee te beginnen.”

“Wat bedoel je?”

“Elke dag is een verhaal, elk uur, elke minuut zelfs. Waar het om gaat is hoe jij beleeft. Doe je dat bewust dan kun je erover schrijven.”

“Dat is toch niet interessant. Ik ben opgestaan, heb ontbeten, sinaasappels geperst… dat is toch geen verhaal?”

“Toch wel. Het gaat om hoe jij die beleving belicht…” en de mentor schreef…


Nog was het aardsdonker, het schemerde zelfs nog niet. Ik had geen zin om op te staan, een eerste bloot been buiten de koesterende warmte van het bed te tillen. Alleen de gedachte deed me huiveren.

Ik draaide op de andere zij, staarde naar de kale muur en wist dat ik het uitstel niet lang kon laten duren.

Ik zuchtte, niet bewust, het ontsnapte als een vlaag van spijt. Zonder erg sloeg het dekbed terug al deed ik het zelf.

Rillend hees ik mezelf overeind, wreef mijn ogen. “Verdomme!”, vloekte ik binnensmonds maar klom uit bed, weerstond de aandrang het dekbed weer over me heen te trekken.

Onwillekeurig schrok ik van de wekker. Ik was te vroeg. Nou ja, niet werkelijk, een beetje maar.

Ik had helemaal geen zin in een nieuwe dag. Het is toch altijd hetzelfde, hetzelfde ritueel tot aan het moment dat ik de fiets uit het schuurtje haal. Daarvoor lukt het ook met gesloten ogen. Alhoewel…

De eerste plens water, koud nog, al blijf ik op veilige afstand van de straal. Je voelt het toch als een kille wind die langzaam warmer wordt tot de hete weldaad over mijn lijf gutst, me doet terug verlangen naar bed, het warme nest waarin mijn geur zich nog behaaglijk nestelt. Ik wil me verenigen met waar ik vandaan kom.

’s Ochtends realiseer ik me verbaasd dat ik de avond voordien helemaal niet naar bed verlang terwijl de volgende morgen… Het zou gemakkelijker zijn als het omgekeerd was maar het comfort van de avond en ochtend laten zich niet verwisselen wat een dubbele inspanning vergt. Logisch is anders, maar toch…

In de keuken wacht de afwas van de vorige dag. Ik spoel een glas, pers twee sinaasappels, werk een cracker naar binnen, staand aan het aanrecht terwijl ik overdenk wat voor me ligt.

Leuk is anders. De lessen zijn niet opwindend, ze boeien niet. Soms, maar niet die van vandaag. Het moet, anders ging ik terug naar bed. Zal ik me ziek melden?

Toch maar niet. Het heeft geen zin. Twee jaar nog, dan ben ik ervan af…


“Daar is toch niks aan”, merkte de student op.

“Nee?”

“Nee, er gebeurt niets.”

“Vind je?”

“Opstaan, douchen en ontbijt. Wat ik zei. Dat is toch niet interessant.”

“Dit fragment geeft een gemoedsgesteldheid weer, die waarmee jij de lessen volgt. Er gebeurt niets. Zo gezien zal jouw schooltijd heel lang duren en zul je er bitter weinig aan hebben.”


vrijdag 25 september 2020

dood en verderf

Wind strooide herfst rond, verstopte goten en bedolf het plantsoen onder een bruin dek. Hij schopte in een samengewaaid hoopje bladeren. De hond sprong op en hapte speels naar het gedwarrel, keerde terug met zijn bek vol. “Laat dat”, snauwde hij bars.

Het zat hem niet lekker. Niet het kerende seizoen al deed de niet aflatende wind geen goed aan zijn humeur. Hij hield niet van wind.

Vroeger waaide het veel minder. Hier toch, ver van zee in de heuvels stormde het weleens maar meestal was het weer rustig. Tegenwoordig niet, waaide haast elke dag. Ook dat had met klimaatverandering te maken.

Dat was niet waarover hij zich zorgen maakte al moest hij eropuit. Patrick had zich al voorgenomen geen hond meer te nemen vanwege de wind. Verplicht naar buiten. Van hem hoefde het niet, niet meer.

Hij hield van het dier. Op zijn manier toch. Wie hem bezig zag vond hem te streng. Ze konden wat. Laat iedereen naar zichzelf kijken, dacht hij kwaad. Hij was meer met de hond begaan dan elk ander, besteedde veel tijd en aandacht. Weer of geen weer, de hond moest buiten. Bij slecht weer kwam hij weinig honden tegen terwijl de wijk op mooie dagen wel een kennel leek. Zo zijn mensen. Alles voor het eigen plezier.

Patrick hield niet van mensen. Hun gezever interesseerde hem niet. Ze veroorzaakten lawaai, stank en vervuiling. Als hij geld had wist hij het wel. Hij zou ver weg wonen, ergens buiten, ver van alles en iedereen. Menselijk contact zei hem niets. Hij was altijd alleen maar voelde het niet zo. Patrick had zijn hond en dat zat hem dwars.

Hij had niet lang meer. De doktoren hadden hem opgegeven al moest hij het eerst nog zien. Wat wisten die kwakzalvers?

Waarom was hij eigenlijk gegaan? Vertrouwen had hij niet en toch… Het hoesten wilde niet wijken. Laatst gaf hij bloed op. Hoopte hij dat een pilletje, poedertje of drankje zou helpen of was het toch angst? Dat laatste weigerde hij toe te geven. Hij was niet bang voor de dood, wel voor het sterven en niet om hemzelf. Wat moest er van de hond worden?

Het dier kon er niets aan doen, was op hem aangewezen en had er niet om gevraagd. Trouw als elke hond van nature maar is dat liefde?

Dat wordt beweerd maar honden blaffen niet: “Ik hou van jou”. Ze zullen zeker een vorm van affectie voelen met als oorzaak afhankelijkheid. Wij, de mens maken hen afhankelijk, wat blijkt uit in het wild geborenen. Zij redden zich prima zonder ons.

Zo dacht Patrick. Dit alles waaide door zijn hoofd. Waar had hij het recht gehaald een dier aan zich te binden? Hij kon de dood niet voor zichzelf verantwoorden, niet zolang de hond er was.

Hij haalde de piemel uit zijn broek en piste tegen een boom, midden in de woonwijk. De hond deed met hem mee.

Mensen vonden hem asociaal al zou hij een grote boodschap niet op het plantsoen doen. Bovendien ruimde hij elke keutel die de hond uitscheidde. Dat moest hij anderen nog zien doen. Veelal lieten de eigenaren de stront gewoon liggen tot ergernis van wie ermee werd geconfronteerd. Het stonk, vooral in de zomer, trok zwermen vliegen. Patrick hield niet van vliegen.

Hij was een mens met uitgesproken voor- en afkeuren. Wat hij niet mocht mepte hij dood; muggen, wespen, ratten… Het liefst ook mensen maar dat kon hij zijn hond niet aandoen.

Waarvan hij hield beschermde hij; vlinders, vogels… De meesten toch. Duiven niet en kraaien maakten te veel lawaai; ze leken altijd brutaal te klagen. Hij haatte die krengen. Kreeg hij er een te pakken dan eindigde het steevast met een gebroken nek. Maar de rest…, vooral zangvogels; klein en pluizig in hun verendek. Ze hadden bescherming nodig. Tegen katten bijvoorbeeld. Hij haatte katten en had er al heel wat gemept.

Het waren gluiperds, vochten niet met open vizier maar beslopen de niets vermoedende prooi en plots…, verdomde beesten!

Kinderen haatte hij eveneens, vooral kinderen, nog meer dan katten. Etters waren het. Ze trokken pootjes uit, treiterden en pesten. Onder elkaar vond hij prima maar ze moesten met hun vuile poten van het andere blijven.

Daar had je zo’n stel; drie jongens en een meisje; basisschool, dat waren de ergsten. De jongens probeerden stoer te doen al stelden ze nog helemaal niets voor en het meisje… hitste hen op. Een klein vrouwtje dat haar erotische macht etaleerde en het werkte. Jongens lieten zich opnaaien.

Zijn handen jeukten. Hoe graag zou hij hen alle vier de nek omdraaien, kleine gluiperds.

Hij was te jong om te sterven vond hij van zichzelf. Middelbare leeftijd en dan al de pijp uit: belachelijk. Zo was leven niet bedoeld. Dat oude zeveraars eraan moesten geloven, prima, maar niet hij, niet zo vroeg.

Zou het wat uitmaken? Als hij toch dood moest kon hij die vier net zo goed een kopje kleiner maken… Nee, hij kon het de hond niet aandoen. Elke dag die ze nog samen hadden was er eentje meer. De ettertjes hadden geluk. Zonder hond…

Zodra ze hem zagen renden ze joelend weg. Kinderen waren bang voor hem. Beter zo.

Niet alleen kinderen; volwassenen ook al lulden ze achter zijn rug.

Patrick was groot, breed en gespierd met een wilde bos nog altijd gitzwarte vettige krullen. Zijn blik was donker, de mond een samengeperste streep. Het uiterlijk van de duivel. Zelfs zijn huid was vuil getaand. Zo was hij altijd geweest, als jongen al. Hij was niet zo geworden maar zo geboren.

Zelf vond hij zich de mooiste man op aarde maar daarin stond hij alleen. Niet dat het hem interesseerde. Hij wist dat hij gelijk had en de rest…, was te stom om te begrijpen.

Je zag toch het verderf; overal. Daarvoor had je geen bril nodig, ook geen hoge opleiding. Het deugde gewoon niet. Tenminste niet wat mensen deden, het andere was min of meer ok, behalve die paar uitzonderingen die wat hem betreft konden worden opgeruimd.

Dat wespen konden steken was hun goed recht. Niet dat ze hem lastig vielen wanneer hij een boterham at. Dat moesten ze niet doen. Niemand! Ze moesten hem met rust laten. Het lag niet aan hem maar aan de etters die zijn leven verzuurden.

En nu moest hij dood. Godverdomme, laat de rest creperen maar laat mij. De hond had hem nodig. Laat hem zijn leven. Daarna kan ik weg. Is dat te veel gevraagd?

Nukkig schopte hij opnieuw en stootte zijn teen aan iets hards dat onder de bladeren lag verstopt. Wel godverdegodver! Welk stuk onbenul…?


Er stak iets roestig ijzer uit de grond. Patrick bukte, trok eraan, wrikte het los.

Boem! De oude blindganger ontplofte in zijn gezicht, scheurde hem samen met de nieuwsgierig snuffelende hond in bloedige stukken… Verdomde terroristen, dacht hij nog op het moment van de flits.