Follow by Email

vrijdag 25 november 2016

waswater sprookje

Waswatersprookje


Eens, in een ver verleden voordat Europa bestond, de wereldzeeën nog onbevaren en beekjes op eigen kracht zonder stimuli als lege blikjes en plastic zakken kalm zeewaarts kabbelden, kende de mens geen watervrees. Die ontstond later, geleidelijk in gelijke tred met de voortschrijdende beschaving.
Hoe beschaafder hoe meer vrees belandde tenslotte in de middeleeuwen waar Viespeuk koning was. Viespeuk beschikte over het diepere inzicht en een lange levensadem, regeerde tenminste achthonderd jaar en vreesde dat water aan je lijf vreselijk ziek en ongezond zou maken tot de dood erop volgde.
Zijn goede onderdanen, die inmiddels Europees spraken, geloofden hem, beloofden plechtig het heilig inzicht te delen en na te volgen. Waarom de middeleeuwen donker worden genoemd laat zich raden en was de reden waarom de toenmalige luyden stinkend de zeventiende eeuw bereikten.
Viespeuk was oud geworden en der dagen zat. Hij zag en rook niet meer zo best, kon niet verhinderen dat enkele verlichten probeerden de macht te grijpen. Zij die de wereldzeeën hadden bevaren, ondermeer in Arabië waren geweest en onderweg leerden dat water maar gewoon water is en alleen te vrezen in zeevolle hoeveelheden.
Van een revolutie was geen sprake. Viespeuk had nog te veel macht. In dapper verzet poedelden Verlichten stiekem in een teiltje, verborgen in een ongebruikt vertrek.
Heel langzaam wonnen de bekeerden wat terrein, verlichtten hier en daar een stuk of wat gelijkgezinden met hun poedelwoede, maar Viespeuk blies zijn lange adem tot aan het eind van de negentiende eeuw toen Europa inmiddels in een lappendeken was verdeeld.
Aan de rand van de deken lag een klein waterrijk landje waar een proper volkje leefde, toch zo ver het hun boedel betrof. Ze schrobden en poetsten de ganse dag. Huisjes glommen, stoepjes blonken en de straten waren schoon. De weinige heksen die de brandstapels hadden overleefd en op bezems door het luchtruim zwierden, zagen een klein blinkend lapje in de immense lap die Europa was.
Het blonk er niet oogverblindend. Kleine vieze vlekjes bedierven het totaal aan schone schijn.
Hoe dat kwam? Hoe het kon gebeuren?
Op schoonheid beluste heksen spuugden wel eens omlaag en probeerden de vlekjes op te lossen met hun befaamde waskrachtheksenspuug. Het mocht niet baten. Viespeuk had te lang geregeerd. Aan het Propervolkje kleefde nog altijd zijn gore adem. Hun huisjes blonken maar aan hun lijven koekte vuil.
De Bestuurderen, die de asem der verlichting hadden gevoeld, besloten er iets aan te doen, en zo gebeurde dat aan het eind van de negentiende eeuw massaal badhuizen werden gebouwd waarin het volkje zichzelf mocht schrobben.
Het pleit beslecht, denkt u, het verhaal geschreven, maar helaas! De waskrachtmeting moest nog beginnen en zou bijna honderd jaar duren.

Netheid en Zindelijkheid regeerden over de hoofdstad van Properland waar in 1870 een eerste fles warm water als inwijding tegen een zijgevel werd geslagen.
Tot 1919 volgden er nog honderdennegen.
Douches stroomden, badjuffrouwen en meesters hadden emplooi, en dankzij de bouwwoede floreerde het ambacht van bouwvakker, maar zij die moesten baden liepen voorbij, al kwam wel eens een enkeling voor vijf wasbeurten per jaar. Het slinkende heksenvolk zag dat hier en daar een vlekje verdween, maar daar bleef het bij.
Behalve de schoolkinderen, die immers door de Bestuurderen gedwongen konden worden. Zij plasten en plonsden vrolijk op honderdentien plaatsen in de hoofdstad.

Ook in het Volksbadhuis aan de Polanenstraat dat in 1914 in gebruik werd genomen, ontworpen door een onbekende Netheid – misschien wel Heden – van de Dienst Publieke Werken.
Het lag er mooi, dit badhuis, op de puntige hoek van als een wig in elkaar lopende straten. Trots, met de hoge schoorsteen als aanwijsstok voor sterren.
De heksen vlogen hoestend door de uitgebraakte steenkoolwolken die als symbool voor waterwarmte het luchtruim bevuilde, en al gauw waren er in de Spaarndammerbuurt geen heksen meer.
Wel de badmeester, om hem kon je niet heen met zijn woning vastgeplakt op de hoek van het gebouw waar ze hoog boven het straatbeeld torende.
Hij ontketende een traditie, want zelfs nu nog zijn badmeesters hoog boven water te vinden.
De luxe was onbeschrijfelijk. Beneden rond de centrale hal was het de beurt aan de vrouwen die in acht baden en vier douches het vuil van zich konden spoelen, met daarboven zoals het hoorde, de mannen in maar twee baden en liefst achttien douches. Niet ongelimiteerd. Zodra de badkuip vol was werd de hendel van de kraan geschroefd om te voorkomen dat kostbaar warm water werd bijgetapt waarom het niet verwonderlijk was dat er regelmatig rillende gedaanten het pand verlieten die door de warmte in slaap gesukkeld, och arme, wakker schrokken in het ijskoud afgekoelde bad.
Ondanks propaganda en dreigementen door de Heren Net en Zindelijkheid bleef de doelstelling van tweeënvijftig baden jaarlijks per persoon onrustbarend laag. In 1918 werd daarom besloten het volksbadhuis uit te breiden met een kinderbadinrichting die uit achttien open douches rond een centrale plaats bestond waar een badjuffrouw zowel kraan als kinderen dirigeerde.
Dat was slim van de Bestuurderen. Kinderen zijn immers klassikaal te dwingen de voorgeschreven norm van één bad per week te consumeren.
Toch ging het fout met het badhuis. Weliswaar kwamen er gaandeweg steeds meer baders en baadsters, en soms zelfs vaker dan vijf keer per jaar, maar de verlichtte Zindelijkheidsheden kregen steeds meer macht. Zoveel dat ze voor het plan gewonnen raakten elke nieuw te bouwen woning van een douche te voorzien. De op schoon en netheid beluste bevolking was daarmee zeer content nu ze de beschikking kreeg over extra opbergruimte voor bezems, schrobbers, dweilen en emmers. Kortom: de stoepjes glommen, de huisjes blonken, de straten waren schoon, maar aan de lijven koekte het vuil van eeuwen.
De grote oorlog kwam en ging en bracht zoveel vuiligheid dat grote volksdelen besloten het teiltje voor voeten, handen en hoofd te verruilen voor de inmiddels leeggeruimde douche zodat voortaan het hele lijf met een wekelijkse beurt kon worden verwend.
Hoera en Hoezee! De Verlichten hadden het pleit gewonnen, de hygiëne gezegevierd.
Langzaam keerde het tij en in de roerige sixties ging het volkje in grote getale en soms zelfs vaker dan één keer per week in bad. De moedigste waagden het elke dag.
Maar hoe moest het met de badhuizen? Iedereen had inmiddels een eigen douche met leegloop tot gevolg. De bestuurders bogen de grijze koppen over een nieuw probleem: bestemmingsplan Openbare Baden.
Ze werden het een na het ander gesloten tot in 1985 ook aan de Polanenstraat de deuren dichtgingen. Voorgoed!
Een tijdperk afgesloten. De gemeenschapszin alweer geknakt.

Voorgoed?
Dat had je gedacht. Sprookjes hebben immers altijd een happy-end en om dat te breien moeten we opnieuw terug in de tijd en ....... naar Arabië.

In de tijd dat Viespeuk in Europa de scepter zwaaide kende de Arabische wereld allang het gebruik van badhuizen: de Hammamãt. Traditioneel en religieus, gebonden aan de reinheid van het lichaam, regeerden Net en Zindelijkheid er al eeuwen. Misschien wel altijd, waren zij nooit weggeweest. Arabische heksen hadden geen last van vieze vlekjes wanneer ze hoog op hun bezem over het landschap scheerden.
Sommigen van het Propervolkje waren er geweest en raakten besmet met de verlichting dat water niet schaadt. Integendeel! Reinheid van lichaam leek verband te houden met reinheid van geest terwijl de Properlanders over de reinste geest ter wereld meenden te beschikken.
Hoe het verder met de Verlichten ging weten we. Wat we nog niet weten is dat in de eerder besproken roerige sixties – zelfs al iets daarvoor – heel wat mensen uit de Arabische wereld naar Properland trokken om er zich te vestigen.
Europa was Europa niet meer en voor Arabië gold hetzelfde. Wereldwijd zwermden mensen overal naartoe en vermengden zich vanzelfsprekend.
Maar, hoe vreemd! Arabische mensen brachten van alles mee, zichzelf in de eerste plaats, maar ook: moskeeën, kunst, slachtrituelen, ramadan. Echter geen hammam. Wassen deden ze in de van overheidswege goed gekeurde douches thuis.
Thuis kun je ook rituelen maar een douche is toch wat anders dan een stoombad, wat een hammam eigenlijk is.
Het gemis bestond maar de inwijkelingen klaagden niet.

Als in alle sprookjes gebeurde er een wonder.
Properlanders die naar Arabië gingen en met de hammamãt kennismaakten waren zo onder de indruk dat ze eenmaal thuis besloten, samen met Arabische mensen, een eigen hammam op te richten die voor iedereen toegankelijk moest zijn.
Properland was inmiddels in de commerciële eighty`s aangekomen en toch lukte het de stichting Hammam het nodige geld bijeen te brengen.
Het was hun geluk dat niemand wist wat met het gesloten badhuis aan de Polanenstraat moest gebeuren. De stichting kreeg toestemming het te gebruiken waarna een periode van voorbereiding werd afgesloten en het eigenlijke werk begon.
Een architect werd gevraagd het verbouwingsplan uit te werken. Het oorspronkelijke badhuis had nogal wat verandering nodig voordat het zichzelf hammam kon noemen. Het buitenaanzicht bleef behouden, behalve de indrukwekkende schoorsteen die op instorten stond, maar binnen voltrok zich een metamorfose.
De woning van de badmeester werd tot kantoor veredeld. Er moesten hammamãt badruimten, een rustruimte voor tussen en na het baden, kinderopvang voor badende moeders, kapsalon, kleedruimte, balie en een koffiehuis voor dorstigen gerealiseerd worden. Niet alleen een plaats om vuile lijven te wassen maar het badhuis kreeg in de toekomst een belangrijke sociale en religieuze taak.
De hoofdingang kwam aan de Polanenstraat waar vroeger alleen de mannen naar binnen mochten. De oude vrouweningang aan de Zaanstraat liet voortaan de koffiehuisgebruikers door.
Het plan was klaar. De verbouwing kon beginnen, maar het pand was in slechte staat, en hoe slecht, slecht kan zijn bleek tijdens het werk.
Het complete dak van het kinderbadhuis werd gesloopt en de erbij horende intacte wachtruimtes hebben nog geen functie, zijn zelfs nog niet opgeknapt, evenals de immense hoge kelderruimte waaruit de oude verwarmingsinstallatie werd verwijderd.

Hoe dan ook werd er verbouwd. Aannemers en onderaannemers aangetrokken, gebroken en gebouwd, pijpleidingen getrokken en geschilderd, en eindelijk was het zo ver: de indeling was klaar.
Dat betekende niet dat de hammam open kon. Er waren meubels en apparatuur nodig, handdoeken en slippers, en veel meer.
Er werd een timmervrouwcollectief betrokken voor meubilair en speeltuig in de kinderopvang. Een Tunesisch kunstenaar kreeg opdracht de badruimten van mozaïek te voorzien en alle grafische rimram die het badhuis moesten opfleuren, wat allemaal onder leiding van twee administratieve opperhoofden gebeurde.
De Tunesier ontketende een artistiek vuur waarom werd besloten nog meer kunstenaars aan te trekken om er een badkunsttempel van te maken.
Er werd gepraat, geschetst en geselecteerd maar tenslotte bekwasten vier kunstenaars onder leiding van de Tunesier muren, deuren en ramen. De kleurigste hammam ooit kreeg langzaam vorm.

Dat mocht ook wel. De opening naderde, maar in sprookjes past alles, dus hier ook.
Na het nodige gecoördineer, waarbij een tentoonstelling over ontstaan en gebruik, verhelpende handjes en geschuif werd de hammam op 27 mei 1988 een feit, en ............. baadde men er nog lang, gelukkig en schoon!



Amsterdam; Het Hoogt 38, mei 1988
Verschenen t.g.v. de opening van de eerste Nederlandse Hammam in Amsterdam, mei 1988

  

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen