Follow by Email

zondag 20 november 2016

Armand

Armand


Auto’s zoefden voorbij terwijl ze tegen de helling omhoog liep. Veel te snel, vond ze.
Het was kil, kouder dan ze dacht toen ze vanmorgen door het slaapkamerraam het vrolijk vroege zonnetje zag. Inmiddels was de lucht koud grijsblauw met stalen vegen.
Als een gemarmerde vrieskastdeur, dacht ze omhoog kijkend.
- ‘De schuld van de slager’; mompelde ze halfluid, ‘en een veel te koud rokje.’
Ze schrok van haar eigen stem, keek vlug rond, maar er was gelukkig niemand die het kon horen.
Als hij niet handtastelijk was geworden had zij dat mes niet gebruikt. De vrouwelijke rechter geloofde haar wel, maar ja, hij was gewond, oppervlakkig weliswaar maar hij kon het laten zien en er was een dokter aan te pas gekomen. Zij had niets om te bewijzen en ze waren alleen in de vriescel, vandaar........
Ze liep dapper verder, volgde de oprit waar geen eind aan leek. Ze moest vóór drieën in Den Haag zijn.
Dat stom gezeik ook, dacht ze bitter. Twee maanden geleden was er niets aan de hand, toen kon ze gemakkelijk rood staan, maar als ze nu wat krap bij kas zat..... Ze mocht al blij zijn dat ze een tientje had losgepeuterd bij de bank. Die rot bijstand!
Ontslag door eigen schuld. Het zou wat, maar daarom kreeg ze mooi geen WW, en met de trein naar Den Haag kostte meer dan tien gulden waarom ze besloot het met liften te proberen.
Mocht het eigenlijk wel langs de autoweg? Ze wist het niet en het kon haar niet schelen ook. Ze moest op tijd bij de ambassade zijn.
Bijstandgebruikers zijn paria’s, wist ze inmiddels: “Nee juffrouw. Dat gaat niet juffrouw. Uw saldo is maar één gulden drieëndertig!”
Een vergeten deuntje dat ze wel eens op de radio hoorde speelde door haar hoofd: Ben ik te min! Het was van voor haar tijd maar ze herinnerde zich dat de zanger iemand met lange haren uit de zestiger jaren was. Armand, heette hij, geloofde ze.
Het deed er niet toe. Ze was bijna boven waar auto’s in razende vaart voorbij flitsten.
Eerst had ze getwijfeld. Ze had nooit eerder gelift. Het was ook niet nodig. Behalve dat ze haar duim moest opsteken wist ze niets....
Ze had nare verhalen gehoord over meisjes alleen. Iedereen raadde het af, maar wat kon ze anders......?
Ze was amper achttien, zag er smakelijk uit wist ze van vluchtige vriendjes die af en toe haar leven deelden. Bovendien was ze niet blind.
Als ze had geweten dat ze ging liften had ze het minirokje wel in de kast gelaten en zich preutser gekleed. Nu moest ze er doorheen. Het was te laat. Ze kon er alleen het beste van hopen.
Eenmaal boven keek ze om zich heen op zoek naar waar ze zou staan. Gewoon hier op de vluchtstrook waar plaats was om te stoppen? Ze stak haar duim in de lucht....

Meer dan een uur later stond ze er nog. Ze had het ijskoud.
In de verte boven de polder kwamen wolken opzetten. Als daarin regen zat werd ze zeiknat. Dan kon ze terug naar huis. Als er niet gauw iemand stopte ook, trouwens. Dan kwam ze toch te laat. Hoelang zou het duren voordat die wolken boven haar waren?
Ze dacht dat een meisje alleen snel een lift kreeg. Mooi dat het niet waar was. Eerst meende ze verkeerd te staan omdat auto’s hier niet mochten stoppen. Ze was, duim hoog, een twee kilometer verder gelopen tot bij een parkeerstrook. Het hielp niet. Iedereen reed door.
Sommigen maakten gebaren die ze niet begreep. Anderen knipperden met de lichten wat ze ook niet snapte. En tot overmaat van ramp werd het stiller.
In het begin een constante stroom verkeer. Nu nog maar één auto hooguit per drie minuten. Alles zat tegen vandaag......
De angst was gezakt, dat was al iets. Ze was met bonkend hart en een samengeknepen gevoel begonnen, bestookt door een veelheid aan gedachten.
Was het verboden hier te staan? Zou een man stoppen om haar aan te randen? De auto ergens in een bos en haar verkrachten. Daarover had ze gehoord, of erger: ze zou vermoord kunnen worden!
Dan stond ze op het punt op te geven, naar huis te gaan tot ze zich herinnerde waarom ze hier stond, en hield vol.
Ze werd wat rustiger.
Er passeerde een politieauto en hij stopte niet. Blijkbaar was het niet verboden wat ze deed.
Ze kreeg al aardig wat ervaring in duimzwaaien. Niet dat ze er lol in kreeg.
Tegelijk was het geruststellend dat niemand haar meenam dacht ze toen in de verte een stroom auto’s naderde. Ze stak opnieuw de duim omhoog.
De derde uit de rij, een kleine rode Opel, minderde vaart, remde af en parkeerde tien meter verder. Ze holde er naartoe..

- ‘Waar wil je heen?’; vroeg de bestuurder door het omlaag gedraaide raampje.
- ‘Den Haag.’
- ‘Stap in’; en opende de deur.
Terwijl de auto tussen het verkeer schoof besefte ze dat het plotseling erg snel ging. Ze had niet eens tijd bang te zijn.
Ze keek opzij. Rond de vijfendertig, schatte ze. Vuilgevlekte trui, ouderwets lang haar tot bijna op de schouders en een ribbroek met slijtplekken. De broek was schoon, wat niet voor de afgetrapte gympen gold.
Waar begon ze aan? Onder andere omstandigheden keurde ze zo iemand geen blik waardig en nu zat ze naast hem in zijn auto.
- ‘Waar moet je zijn in Den Haag?’
Ze keek op. Waarom wilde hij dat weten? Schatte hij het risico in voordat hij haar te pakken nam? Ze moest ophouden met die gedachten. Het maakte haar nerveus
- ‘Nou?’; drong hij aan.
- ‘Waarom vraagt u dat?’
Hij keek haar aan, glimlachte toen.
- ‘Ik ga ook naar Den Haag en kan je afzetten waar je moet zijn.’
Ze dacht na. Zou ze het vertellen of was het beter van niet?
- ‘Zet me maar ergens af. In het centrum als dat niet te lastig is.’
- ‘Prima.’
Hij tuurde strak door de voorruit, schakelde soms naar een hogere versnelling om in te halen. Ze verstijfde telkens zodra zijn hand in haar richting zweefde.
Hij zag het en glimlachte weer.
- ‘De eerste keer dat je lift?’
- ‘Ja’; flapte ze eruit en had meteen spijt. Waarom vertelde ze het?
- ‘Ik bijt niet’; lachte hij.
Ze grijnsde stuurs.
- ‘Woon je in Den Haag?’
Daar begon hij weer. Hij wilde alles weten.
Hij keek weer opzij.
- ‘Bang dat ik iets doe?’
Ze verstijfde, plukte aan het rokje, probeerde het langer te maken.
- ‘Je bent niet erg spraakzaam.’
Ze keek stug voor zich, wilde roepen: “Laat me eruit!”, maar durfde niet.
- ‘Waarom ben jij in godsnaam gaan liften? Al kan ik me je angst wel voorstellen. Je hoort rare verhalen tegenwoordig.’
Hij hield abrupt de mond, tuurde door de voorruit.
- ‘Verdomme! File!’
De auto minderde vaart en hield stil achter de laatste in de rij.
- ‘Daar staan we dan’; merkte hij nogal overbodig op.
Ze keek naar de onafzienbare rij wagens, daarna wanhopig op haar horloge. Vijf voor halfdrie!
- ‘Hoelang duurt het van hier naar Den Haag?’; vroeg ze toonloos.
- ‘Een half uur voordat we in het centrum zijn.’
Ze knikte bang, begon plots te huilen.
- ‘Ik moet er om drie uur zijn’; snikte ze.
Hij nam haar verbaasd op.
- ‘Stond je er al zolang?’
Ze knikte weer. Er drupten tranen op het rokje.
Hij raakte haar arm aan. Ze deinsde geschrokken terug voordat ze begreep dat het als troost was bedoeld.
- ‘Sorry’; verontschuldigde ze zich.
- ‘Het geeft niet. Waarom moet je er om drie uur zijn?’
Ze probeerde de tranen te verdringen toen er iets in haar brak. Het risico dat ze had genomen was voor niets. Het zou haar nooit lukken op tijd te komen, en plotseling besloot ze hem in vertrouwen te nemen. Er viel iets van haar af. Hij had iets liefs, vond ze, ondanks de wilde haardos en vuile kleren.
Hij wachtte geduldig.
- ‘Ik heb om drie uur een afspraak op de Argentijnse ambassade. Ik ben werkloos, en van een vriendin hoorde ik dat ze een telefoniste zoeken. Ik heb geen ervaring maar solliciteerde toch. Toen kwam een brief waarin ik werd uitgenodigd voor een gesprek vanmiddag om drie uur.’ Ze begon weer te huilen. ‘Ik ben te laat. Nu willen ze mij vast niet meer!
Hij had medelijden. Klein en zielig, helemaal ten einde raad.
- ‘Spreek jij Spaans?’
- ‘Talenpracticum’; knikte ze.
- ‘Welke talen nog?’
- ‘Italiaans. Engels, Duits en Frans van de Mavo.’
- ‘Heb je ervaring in verkoop?’
- ‘In een slagerij.’
- ‘Niet precies wat ik bedoel’; lachte hij, ‘maar het is verkopen.’
Het was duidelijk dat ze het niet begreep
- ‘Lukte het een beetje?’
- ‘Wat?’
- ‘Verkopen.’
- ‘Ik geloof het wel. Ik denk dat ik best een goede verkoopster ben. Ik vond het leuk.’
- ‘Dat dooie spul!’
Ze loerde van opzij naar hem. Hield hij haar voor de gek?
Hij reed de auto wat verder in de rij.
- ‘Ik zal je een voorstel doen. Je zou het vast niet denken maar ik heb een bedrijf in computer accessoires en zoek een verkoopster die talen kent. Al heb je geen ervaring met computers, dat is te leren. Het belangrijkst zijn de talen.’ Hij pauzeerde om een sigaret op te steken, vroeg of ze bezwaar had. ‘Als ze jou niet meer willen kom dan bij mij werken.’
Ze keek ongelovig. Gewoon, zomaar, een wildvreemde die haar een baan aanbood? Ze wist niet eens hoe hij heette.
- ‘Afgesproken?’; vroeg hij.
Ze kon alleen knikken.

Het was halfvier toen hij voor de deur van de ambassade parkeerde.
- ‘Ik wacht wel’; zei hij, ‘en, oh ja, ik heet Armand.’
Ze nam hem onderzoekend op.
- ‘Lotte’; mompelde ze.
De baan was weg, ze was te laat. Het speet het hoofd Personeelszaken, maar helaas. Ze dachten dat ze niet zou komen.
Ze liep naar buiten. Meneer Armand wachtte op haar, tegen elke verwachting.
- ‘Welkom bij de firma’; zei hij terwijl hij het portier voor haar openhield.






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen