woensdag 3 mei 2017

Merlijn - terug

Er waren toch wel wat weken voorbij gegaan toen ik eindelijk mijn spullen inpakte, de huisdeur achter mij dichttrok en met het openbaar vervoer naar het bos terugkeerde.
Het woud leek donkerder, meer verlaten dan ik mij meende te herinneren, maar ik volgde dezelfde paden, dronk van hetzelfde beekje en zocht Merlijn’s hut die ik niet kon vinden.
Ik raakte steeds meer vertwijfeld. Hier was het toch? Ik herinnerde mij de berk waarvan een tak op precies dezelfde plaats was afgebroken. Ik herkende punten in het landschap, maar hoe ik ook zocht en in de rondte dwaalde, de tovenaarshermitage vond ik niet.
Moe maakte ik kamp bij een uitloper van het beekje, sprak een noodrantsoen aan dat ik in water liet wellen voordat ik het koud, smakeloos wegkauwde als brandstof voor de volgende dag, brandstof om de terugreis mee te beginnen. Of zou ik het nog een dag langer proberen?
Ik wist dat het geen zin had, dat het hier moest zijn en dat het was verdwenen. Ik zou wel een borrel lusten maar die had ik niet.
Midden in de nacht werd ik gewekt door kabaal. Een egel wurmde zich met veel misbaar door het kreupelhout stak zijn snuitje in de lucht en snoof, keek mij aan met pientere kraaloogjes alsof hij er zich van wilde vergewissen dat ik het wel was. “Zoek je Merlijn?” vroeg hij plots.
Ik schrok, vergat te antwoorden maar knikte in plaats daarvan vanuit een simpele reflex.
Het diertje lachte, een akelig schurend geluid leek het of zijn pennen langs elkaar heen wreven. “Maar hij jou niet”, sprak het betweterig.
“Is hij boos?”
“Nee hoor. Jij geeft gewoon veel te snel op.”
“Doe niet zo flauw”, zei ik toen ik het spel doorzag en de oude steeg op uit het diertje dat geleidelijk verdween, oploste in de hagelwitte kaftan van Merlijn.
“Je weet toch dat ik het bos in de gaten houd, maar ik vond dat ik je even moest laten zweten. Dat heb je verdient.”
Ik kon alleen knikken, want hij had gelijk tot op zekere hoogte en toch ook niet. De tovenaar glimlachte wijs. “Kom! Binnen is het comfortabeler dan hier buiten en buiten zijn de wilde dieren, dat zou je nu toch moeten weten.” Hij knipoogde, maar ik kon een grom niet onderdrukken.
Het huis was er waar ik eerder had gezocht en werd weer hut toen we binnengingen. “Ga zitten. Ik heb soep en die geeft meer kracht dan die prefab rommel die ik je met lange tanden weg zag werken.”
Het werd er niet beter op. Ik voelde me kwaad worden maar de oude keek me zo ontwapenend aan dat ik toch moest lachen. Bovendien was het heerlijke soep van bospaddestoelen op smaak gebracht met daslook en jeneverbes, een onmogelijke combinatie die bleek te werken.
“Wat zijn je plannen?” vroeg Merlijn.
“Ik weet het niet. Het is niet af”, antwoordde ik schouderophalend. “Ik heb het gevoel dat ik iets heb laten liggen. Zoals het nu is roept het alleen vragen op zonder zelfs maar in de buurt te komen van een antwoord.”

“Dat is een goed teken. De eerste kiem van wijsheid, maar of het dat wordt… We zullen zien hoever we samen komen.”

Merlijn - thuis

We reisden op dezelfde manier terug naar onze eigen wereld waarvan ik net zo mottig werd als tijdens de heenreis en wat daarom mijn gemoedstoestand niet verbeterde. In elfenwereld had ik niemand bedankt of zelfs maar afscheid genomen en hoe daarover werd gedacht interesseerde mij niet. Ik nam evenmin afscheid van Merlijn maar graaide mijn spullen bijeen, hees de zak op mijn rug en vertrok zonder een woord. De tovenaar liet mij rustig vertrekken, nam niet de moeite mij uit te laten of te begeleiden tot aan zijn deur.
Tijdens de tocht door het bos die enkele dagen duurde kalmeerde ik langzaam maar zeker en werd vervolgens geconfronteerd met een schuldgevoel dankzij mijn botte gedrag maar eigenwijs en halsstarrig klom en daalde ik verder tot ik de bewoonde wereld bereikte waar ik de snelste vorm van vervoer koos om zo rap mogelijk thuis te zijn.
Eenmaal in mijn eigen omgeving werd ik teruggeworpen op mijzelf. Nadat ik had uitgepakt, opgeruimd en gewassen bleef er niet veel te doen dan te proberen mijn malende gedachten te ordenen. Het liefst wilde ik het avontuur een plaats geven zoals alle trektochten hiervoor: een reeks herinneringen die globaal genomen plezierig moesten zijn.
Het lukte niet! Ik kwam tot niets, hing voor de tv, tuurde zonder te lezen naar de bladzijden in een boek en nam niets op omdat mijn gedachten telkens terug dwaalden naar Merlijn en elfenwereld. Had ik een kans laten liggen? Werd ik te oud voor het onbekende dat niet alleen verbazend maar ook bedreigend kon zijn? Niet alleen het fysieke, de bijna dood ervaring met het beest, maar ook om elke keer weer met mijn neus op de eigen tekortkomingen te worden gedrukt. De mensheid en haar arrogantie, het denken te weten ging ook mij aan. Mijn persoontje dat ook niet altijd even consequent uitvoerde wat het anderen verweet. Ik dacht heel wat van mezelf omdat ik zo graag rondtrok in de ‘ongetemde’ natuur, voelde mij heel wat mans daardoor, maar als ik heel eerlijk was koos ik wel die plekken op de aardbol waar de luxe van de geciviliseerde samenleving niet zo heel ver weg was. Toegegeven, soms moest ik wel een week zonder stellen, maar daardoor was ik nog niet in staat mijn leven los van de ‘beschaving’ te leiden, al dacht ik dat graag over mezelf. Ik was zoveel mens als de rest van de mensheid, al kon ik planten en dieren bij hun naam noemen, was ik vrij goed in staat het weer te voorspellen wanneer ik eenmaal ‘buiten’ was. Ik kon sporen lezen, vallen zetten en draaide er mijn hand niet voor om om een konijn te slachten of een vis schoon te maken. Ik kon me heel aardig redden, dat wel, maar het moest niet te lang duren. Dat helemaal opgaan in het totaal van de wereld was mij net zo vreemd als voor een bankier in de binnenstad die nog geen els van een beuk kon onderscheiden. Wat had ik op zo iemand voor: dat ik niet onmiddellijk ziek zou worden of de dood zou vinden wanneer ik gedwongen werd van de natuur te leven? Veel meer was het niet, want ook ik nam vrolijk deel aan het consumptiegedrag. Niemand moest mijn tv toestel even komen ‘lenen’, want ik zou hem verrot slaan. Ik had mijn spulletjes en die waren van mij, geen gemeengoed, dus wat liep ik nou te zeuren over een afrastering in het veld waarmee de eigenaar zijn oogst tegen vertrappende dagjesmensen beschermde?
Ik was een mens en droeg ertoe bij dat veel verloren ging door mijn gedrag dat in de breedte opeiste wat eigenlijk van niemand was en daarom van allemaal, maar als er iets hinderlijk mijn leefwereld binnendrong verjaagde ik het ook, doodde het desnoods als ik er last van ondervond. Ik had wel eens gehoord over hindoeïstische monniken die met een bezempje het pad schoonveegden waar ze liepen om zo te voorkomen dat ze het kleinste kruipertje zouden plattrappen. Respect voor zulk een houding maar was het haalbaar over zeven miljard individuen uitgesmeerd? Waarschijnlijk niet! En dan nog! Ook die monniken vernietigden, want ook zij moesten eten en leven. Kwam het er dan niet op neer dat het leven zelf kwalijk was, een daad van absoluut eigenbelang en gold dat niet voor alles dat leefde wat ogenblikkelijk tot de vraag leidde: waarom er überhaupt leven was? Wat was de zin van het bestaan en waarom bekritiseerden wij onszelf daarin? Maakte al die kritiek wat uit, leidde het tot iets, of fungeerde het gewoon als doekje voor het bloeden, om onze ergste zonden een plaats te kunnen geven?
Ik wist het niet meer en vroeg mij af of de antwoorden niet toch bij Merlijn waren te vinden, of bij de elfen, of bij wie weet waar?

Misschien besefte ik het nog niet maar ik was bezig een excuus te zoeken om terug te gaan, om verder te ontdekken waarvan ik een glimp had opgevangen. Zelfs al zou het ditmaal mijn leven kosten, nam ik mij voor.

dinsdag 2 mei 2017

Merlijn - kwaad

Ik was laaiend. Hoezo veilig? “Alles onder controle, nietwaar?” brieste ik tegen Merlijn. “Negatieve materie, niks aan de hand, verdomme! De ideale wereld waar iedereen in harmonie samenleeft? Laat je nakijken! Twee stappen buiten het dorp en je wordt zowat opgevreten! Trollen die je komen halen voor aan hun spit. Een groot toneelspel hier en verdomd slecht geregisseerd.”
Ik was over mijn toeren, toegegeven, maar helemaal ongelijk had ik niet. Het soort middeleeuwen waarmee je hier zomaar geconfronteerd kon worden had althans de westerse mens allang achter zich gelaten. Kannibalisme bestond niet meer, toch zeker zo goed als; sabeltandtijgers en andere reuze moordenaars al eeuwen uitgestorven. Man, onze veiligheid; hier en daar nog een terroristje waarmee moest worden afgerekend en als je al werd overreden was dat meestal ook te wijten aan je eigen onoplettendheid. Goed, ik was van de kook, rukte de zaken ook wel wat uit hun perspectief, maar daar had ik recht op verdomme! Bijna was ik geëindigd in de muil van een stinkend beest, niks geen leuk lief diertje waarvan het hooguit opwindend was om tegen te komen tijdens een wandeling; geen lief hertje waarvan je alleen nog het staartje tussen de bomen zag verdwijnen maar een heuse mensenvreter.
Merlijn liet me uitrazen en heimelijk bewonderde ik de oude. Was hij niet in dezelfde positie geweest als ik, had hij niet ook het slachtoffer kunnen zijn als we niet op miraculeuze wijze door de mij onbekende elf waren gered?
Waar was hij trouwens gebleven? Of was het een zij geweest? Ik wist het werkelijk niet, had er nauwelijks op gelet, dacht alleen aan mijn eigen hachje en eigenlijk schaamde ik mij wel een beetje maar voor schaamte was nog geen plaats tussen de agressie die ik voelde en de angst die mij nog steeds deed beven al was ik inmiddels veilig terug in het dorp.
Merlijn was de kalmte zelf, alsof er niets was gebeurd en misschien had hij al voor hetere vuren gestaan tijdens zijn lange leven, voor mij was het avontuur heel wat meer dan een incident tijdens een gezellige wandeling in het bos.
“Nou?” riep ik, “heb je hier ook een stichtende verklaring voor? Iets waarvan de mensheid nog iets kan leren?”
“Zeker”, antwoordde hij rustig, “maar pas nadat je weer tot redelijkheid in staat bent.”
Ik haalde diep adem. Dat deed de deur dicht. Ik wilde naar huis. Alle elfen, kabouters, aardmannetjes, of wat hij nog meer voor mij in petto had, konden de kolere krijgen. Mochten ze allemaal door trollen worden opgevreten het zou mij een zorg zijn. Ze deden met hun wereld wat ze wilden maar niet met mij! Ik had tijdens mijn trektochten ook wel wat meegemaakt maar dat was tenminste overzichtelijk en bekend. Toen wist ik hoe te handelen, en voor fabeldieren of andere draken hoefde ik thuis niet bang te zijn. Laat ze maar mooi in de sprookjes. Daar hoorden ze thuis, in een boekje, leuk om te lezen maar niet om mee te maken.
“Ik wil naar huis!” zei ik beslist.

Merlijn knikte. “Dat dacht ik al.”