Follow by Email

vrijdag 1 februari 2013

WANDERBACH page 247


Finally he reaches the stony path through the mountains from where he saw the Wanderbach smoke. It is a bit easier now, but Tork crawls more then he goes. Up, to roll down at the other side.
He is exhausted and hardly notices that the path becomes wider, smoother and that he has to climb less.
At the end he falls down at the edge of the road. His last forces consumed and in this no-man’s-land rescue is not likely.

On the bench of a donkey-car a farmer dozes bended. The beast of burden knows the way. It is not needed to drive her.
Suddenly the donkey stops.
- ‘Rebellious bitch!’ the farmer growls and climbs from the bench. While he walks to the front he sees in the distance something dark on the road. He can’t see well in the twilight. It arouses his suspicion. There still live bandits in these mountains. Ruthless, poor people, that even see a rich man in a cottier. He knows some that are emptied by them and his freight is not without value, what makes him careful when he walks towards the dark bundle.
- ‘It’s a man!’ The farmer peers into the surrounding bushes, afraid for devils that arise from the ground, but there is nothing, and he shuffles tensed forward, one hand on the knife in his belt.
He is death; he thinks when he bends over the body. But as soon as he shakes a shoulder he hears a light moaning. The farmer straightens and runs back to the car where he grabs some oranges from the load. He walks back and slices the fruit above the mouth of the groaning man.
Tork sighs for pain when the corrosive juice sips between his burst lips, but it doesn’t bring him to awareness.
The farmer lifts him. Head and feet dangle rough when he carries him to the car. 


Uiteindelijk bereikt hij het stenige pad door de bergen vanwaar hij de rook van Wanderbach zag. Het gaat wat gemakkelijker nu, maar Tork kruipt meer dan hij gaat. Omhoog, om aan de andere kant omlaag te rollen.
Hij kan niet meer en merkt nauwelijks dat het pad verbreedt, vlakker wordt en hij minder moet klimmen.
Tenslotte zakt hij uitgeput langs de kant van de weg. De laatste krachten verbruikt en in dit niemandsland is redding onwaarschijnlijk.

Op de bok van de ezelskar zit de boer ineengedoken te dommelen. Het lastdier kent de weg. Het is niet nodig haar te mennen.
Plotseling blijft de ezelin staan.
- ‘Weerspannige teef!’ gromt de boer en klimt van de bok. Terwijl hij naar voren loopt ziet hij verderop iets donkers op de weg. In de schemering kan hij niet goed zien. Het wekt zijn argwaan. Er leven nog struikrovers in deze bergen. Nietsontziende, arme lieden, welke zelfs in een keuterboer een rijkaard zien. Hij kent er die door hen zijn uitgeschud en zijn vracht is niet zonder waarde, wat hem voorzichtig maakt wanneer hij naar de donkere bundel loopt.
- ‘Het is een man!’ De boer tuurt in het omringend struikgewas, bang voor duivels die uit de grond oprijzen, maar er is niets, en hij schuifelt gespannen naar voren, een hand op het mes in de riem.
Hij is dood, denkt hij wanneer hij over het lichaam buigt. Maar zodra hij het bij een schouder schudt hoort hij een licht kreunen. De boer veert recht en holt terug naar de kar waar hij wat sinaasappels van de lading haalt. Hij loopt terug en snijdt de vruchten open boven de mond van de steunende man.
Tork kreunt van pijn wanneer het bijtende sap tussen zijn gesprongen lippen drupt, maar het brengt hem niet bij bewustzijn.
De boer tilt hem op. Hoofd en voeten bungelen ruw wanneer hij hem naar de kar draagt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen