Follow by Email

dinsdag 31 juli 2012

a poem a day LXXXIX


‘Trust me’ (of)
Trustee
Welk vertrouwen is nog waard
vertrouwd te worden?
Geloof het of niet,
belazerd word je toch wel


‘Trust me’ (or)
Trustee
What trust is still worth?
to be trusted?
Believe it or not,
conned you’ll be anyway

WANDERBACH page 75 - 76


He has to move to the front to see but tries surrounding in the hope to watch between the audiences from another angle. The city dogs betray them. While moving unnoticed and close behind the wall of backs one of the dressed up species attacks his ones and jumps roaring to their throat, alarms some others which immediately interfere.
Both wolfhounds don’t wait but pounce breast to breast upon the mass attackers. Barg, the heaviest, pinches his jaws in the neck of the instigator, lifts him of the ground, beats hard back and forth until the dog flies in a vast arch through the air like a rag doll and lands yards further on his side intensely yelping. Dizzy the attacker crawls up, stares foolish at the monster that threw him so far and disappears, tail between the embellished legs.
More and more dogs, from everywhere and Barg, but Fern also, have the biggest trouble to keep the crowd at a distance. A smaller one boggles down Ferns’ shoulder while the wolfhound settles a robust Rottweiler that already lies on his back, the throat unprotected. Barg defends himself fierce. A Bullterrier lies death in the dust, a German Sheppard tugs his flank while he bites at a growling Doberman which roaring changes into crying as soon as the sharp teeth penetrate the short fur.
Tork is afraid that the superior power will be too much even for both wolfhounds and wants to come in between with his stick, urges the unexpected battle when the first alarmed bystanders aggregate screaming around him. He is being grabbed; too many hands to defend against. Fearful worried he looks at the fighting dogs while he is being dragged away to the center of the square. 

page 76

Hij moet naar voren om te zien maar probeert een omtrekkende beweging in de hoop vanuit een andere hoek tussen de omstanders door te kijken. De stadshonden verraden hen. Terwijl hij onopvallend dicht achter de verzameling ruggen loopt keert een van de verklede exemplaren zich tegen die van hem en vliegt hen grauwend naar de keel, alarmeert enkele soortgenoten welke er zich onmiddellijk mee bemoeien.
Beide wolfshonden wachten niet maar storten zich borst aan borst tussen de te hoop gelopen aanvallers. Barg, de zwaarste, klemt zijn kaken in de nek van de aanstichter, tilt hem van de grond, slaat hard heen en weer tot de hond als een lappenpop in een wijde boog door de lucht zwiert en meters verder fel jankend op zijn zij landt. Duizelig krabbelt de aanvaller overeind, kijkt dwaas naar het monster dat hem zo ver smeet en verdwijnt met de staart tussen de uitgedoste poten.
Steeds meer honden, overal vandaan en Barg, maar ook Fern, hebben de grootste moeite de meute van zich af te houden. Een kleiner exemplaar bijt zich vast in Ferns schouder terwijl de wolfshond afrekent met een robuuste rottweiler die al op de rug ligt, de keel onbeschermd. Barg verdedigt zich woest. Een bullterriër ligt dood in het stof, een Duitse herder rukt aan zijn flank terwijl hij naar een grauwende dobermann bijt waarvan het gegrom in gekrijs omslaat zodra de scherpe tanden door de korte vacht dringen.
Tork vreest dat de overmacht zelfs beide wolfshonden teveel wordt en wil met zijn stok tussenbeide komen, dringt in het onverwacht ontstane gevecht wanneer de eerste gealarmeerde omstanders zich joelend rond hen verzamelen. Hij wordt vastgegrepen. Te veel handen om zich te kunnen verdedigen. Angstig bezorgd kijkt hij naar de vechtende honden terwijl hij wordt meegesleurd naar het midden van het plein.

maandag 30 juli 2012

a poem a day LXXXVIII


de bankier / the banker V

‘Beter smerig dan vuil’, zei ik
schoof de volle knoop van mijn das
met de $-tekens van Warhol
Op een gouden blaadje het contract
dat ik opdroeg aan de duivel
Met een zwierige bokkenpoot tekende
en bekrachtigde ik de verdienste
welke niet van mij was


‘Better filthy than dirty’, I said
slid the full button of my tie
with the $-marks of Warhol
On a gold page the contract
that I dedicated to the devil
With a spruce bucks leg I signed
and ratified the merit
which was not mine

WANDERBACH page 74


The dogs feel the approaching confrontation and stay near to him while Tork flattens a way through the high grass till the uprising wall. He saw well: in the middle gapes the arc-shaped opening of a high gate, but still no sign of life. Unguarded and the path of the Gods leads straight inside. Tork walks unhesitating through the dim entrance on a pebble paved road.
He only hears the rumor after they pass and watches the dogs that stop with sharpened ears. There is nothing that can explain the noise: thousands of throats yell encouragements. The road as a wide garden walk leads to the heart of the town and a crowd so big that Tork stops automatically. The avenue itself is abandoned and the sound doesn’t get noticeable louder until they suddenly reach a large square after a long bend on which thousands are together.
No-one takes any notice of them. In tied masses the inhabitants stick together, their attention focused on a spectacle that keeps hidden for Tork and has to be somewhere in the middle of the vast square judged by the waving movement of the mass. The audience shouts non-understandable yells that are certainly meant as encouragements. It reminds of Ensors Carnival, densely and embellished. Men, women, children: as far as he can see everybody is masked and even the barking dogs are colorful dressed up with a scarf or pants around their back legs in which a hole for the cheerful waving tail. However clothing and masks remind of something festive Tork gets the impression that it is about competition. The crowd too much focused, too much pagan concentration as if a game is going on. A carnival celibration with sport elements? 

De honden voelen de naderende confrontatie en blijven dicht bij hem terwijl Tork een weg door het lange gras baant tot aan de hoog oprijzende muur. Hij heeft goed gezien: in het midden gaapt de boogvormige opening van een hoge poort, maar nog steeds geen teken van leven. Onbewaakt en het Godenpad leidt rechtstreeks naar binnen. Tork stapt vastberaden door de schemerige ingang op een met keien geplaveide straatweg.
Hij hoort het rumoer pas nadat ze de poort passeren en let op de honden die met gespitste oren de pas inhouden. Er is niets dat het gekrijs kan verklaren: duizenden kelen schreeuwen aanmoedigingen. De weg als een brede laan leidt naar het hart van de stad en een menigte zo groot dat Tork onwillekeurig blijft staan. De laan zelf is verlaten en het geluid wordt niet merkbaar sterker tot ze na een lange bocht plotseling bij een groot plein aankomen waarop duizenden zijn verzameld.
Niemand neemt notitie van hen. In dichte drommen staan de inwoners bijeen, de aandacht gericht op een spektakel dat voor Tork verborgen blijft en zich ergens in het midden van het uitgestrekte plein moet bevinden te oordelen naar de golvende beweging van de massa. De toeschouwers scanderen onverstaanbare kreten die zeker als aanmoediging zijn bedoeld. Het doet denken aan Ensors Carnaval, dicht opeen en uitgedost. Mannen, vrouwen, kinderen: voor zover hij kan zien is iedereen gemaskerd en zelfs de met het gejuich mee blaffende honden zijn fleurig verkleed met een halsdoek of broek rond de achterpoten waarin een gat voor de uitgelaten zwaaiende staart. Hoewel kleding en maskers aan iets feestelijks doen denken krijgt Tork de indruk dat het om een competitie gaat. De menigte is te veel gericht, te veel heidense concentratie alsof er een wedstrijd plaatsvindt. Een carnavalsfeest met spelelementen? 

zondag 29 juli 2012

a poem a day LVXXXVII


Vliegend verkopen,
is dat niet wat iedereen wil?
Centjes tellen in de lucht,
de lucht van geld
en wilde dromen
die nooit bedriegen


Flying sales,
isn’t that what everybody wants?
Counting coins in the air,
the smell of money
and wild dreams
that never sheet

WANDERBACH page 73


As soon as they leave the mountains the visible path disappears but still he knows where to go. The dogs also know and run cheerful ahead. To comfort the walk Tork uses the stick to choke the high grass. Without pause they hike the plain in the direction of a low hill.
It takes longer then he thought, perhaps as long that they have to camp there, but the surrounding green is a relief and sometimes he even sees an animal between the high vegetation. Too fast to recognize yet he thought to see a rabbit and a fox.
After hours they reach the hill and on the top he decides. This is where they will spend the night. The surface is flat and soft and the bushes around give enough shelter, but the final preponderance is the panorama in the front. At the horizon glow buildings. Towers and roofs and he believes to recognize a gate in the gloss. Probably an illusion with enough danger to exhaust them and he doesn’t even think of seeking that today. With the perspective of the inevitable city there is a fair chance that they are left alone on the hill.
New is that the Gods announce their trap this time so clearly and upfront, why he can be better as much prepared and rested as possible. From his high seat he stares long at the buildings without discovering any move and at last he stretches in the soft grass and trusts on the alertness of the dogs.
Tork is proven right. After an undisturbed sleep he looks at the town that rises changeless in the distance. Still no sign of life and while he melts his breakfast in his mouth he thinks about how to approach this new challenge. The Gods know that they are here why a stratagem or an outflanking movement makes little sense. There is no way to take the illusion by surprise or avoid it and the best defense seems therefore the direct approach: to follow the path that leads inevitable to the gate. There he will see and try to find the weak spots.
   
Zodra ze het gebergte verlaten verdwijnt het zichtbare pad en toch weet hij waarheen. Ook de honden weten en rennen uitgelaten vooruit. Om het lopen te vergemakkelijken gebruikt Tork de stok om het hoge gras neer te slaan. Zonder pauzeren lopen ze de vlakte op in de richting van een lage heuvel.
Het duurt langer dan hij dacht, misschien wel zo lang dat hij er kamp moet maken, maar het groen rondom is een verademing en soms ziet hij zelfs een dier dat tussen de hoog opgeschoten vegetatie schiet. Te snel om te herkennen al meende hij een konijn en een vos te zien.
Uren later bereiken ze de heuvel en eenmaal boven staat zijn besluit vast. Hier zullen ze overnachten. De bodem is vlak en zacht en de struiken rondom bieden voldoende beschutting, maar de uiteindelijke doorslag geeft het panorama in de verte. Aan de horizon blinken gebouwen. Torens en daken en hij meent een poort in de schittering te herkennen. Waarschijnlijk een illusie met genoeg gevaren om hen uit te putten en hij denkt er niet aan dat vandaag nog op te zoeken. Met de onvermijdelijke stad in het vooruitzicht is er een goede kans dat ze op de heuvel met rust worden gelaten.
Het nieuwe is dat de Goden dit keer hun valstrik zo duidelijk en van tevoren aankondigen, waarom hij maar beter goed voorbereid en uitgerust kan zijn. Vanaf de hoge uitkijkpost tuurt hij lang naar de gebouwen zonder enige beweging te ontdekken en tenslotte strekt hij in het zachte gras en vertrouwt op de waakzaamheid van de honden.
Tork krijgt gelijk. Na een ongestoorde slaap kijkt hij naar de stad die ongewijzigd in de verte verrijst. Nog altijd geen teken van leven en terwijl hij het ontbijt in zijn mond laat smelten denkt hij na over hoe deze nieuwe uitdaging te benaderen.
De Goden weten dat zij er zijn waarom een list of omtrekkende beweging weinig zin heeft. Er is geen manier de illusie bij verrassing te nemen of te ontlopen en de beste verdediging lijkt daarom de directe benadering: het pad volgen dat onvermijdelijk naar de poort leidt. Daar zal hij wel zien en proberen de zwakke plekken te vinden. 

zaterdag 28 juli 2012

a poem a day LXXXVI


De warmte die aan mij kleeft
Zelfs in de winter nog zweet
dat verrukkelijk mijn lichaam doucht
Ziltig hard als een schaal,
als een pantser
waardoorheen niemand nog dringen kan
Toch niet wanneer ik geen toestemming geef


The warmth that sticks on me
Even in winter still sweat
that heavenly showers my body
Salty hard like a shell,
like an armor
where no-one still can penetrate
Yet not if I don’t give permission

WANDERBACH page 72


That is what Perlwachter meant of course! No way to escape from the illusions; they will hinder them every time, and that’s why he mustn’t only be careful but in the first place look for weaknesses until he understands the trap and can break or neutralize it. That’s where their chances are, and already more satisfied he creeps out of the hiding-place.
Unconscious he assumed that Gods are infallible in spite of what Perlwachter told. He wasn’t aware because he didn’t believe in their existence, saw them as fantasy to inhibit believers, but the keeper said: ‘We will call them like that for now’; and meant that Gods are not like people see them, of which he got proof last night. They forgot to use his weakness and could have defeated him easily while he was helpless. That this didn’t happen says enough. Created after human measures they overestimate themselves and admittedly have powers that can harm or even destroy him, which doesn’t mean that they are infallible. How logic, because what use would this mission have? He would be chanceless!
This conclusion comforts. Whatever they are: Gods are not like humans believe. An arsenal of power but not omniscient or absolute, and full of shortcomings what means that they aren’t necessary immortal. They are vulnerable and Tork is determined to find this weakness to bring the possibilities to a more equal level.
The path descends steadily and the mountains become progressively lower until they reach an enormous plain that stretches endless.
Tork is glad to leave the deserted mountains and overseas the virgin landscape that reminds of wide plains. Fainted slopes covered with low bushes and in between high raised grass that waves in the non existing wind.  

Dat bedoelde Perlwachter natuurlijk! Aan de illusies valt niet te ontkomen. Ze zullen hen telkens dwarsbomen, en daarom moet hij niet alleen voorzichtig zijn maar vooral zoeken naar zwaktes totdat hij de val begrijpt en haar kan doorbreken of neutraliseren. Daarin liggen hun kansen, en hij kruipt al opgewekter uit de schuilplaats.
Onbewust ging hij ervan uit dat Goden onfeilbaar zijn ondanks wat Perlwachter vertelde. Hij stond er niet bij stil omdat hij niet in hun bestaan geloofde, ze als verzinsels zag om gelovigen in toom te houden, maar de wachter zei: ‘We zullen ze voorlopig zo blijven noemen’; en bedoelde dat Goden niet zijn zoals mensen hen zien, waarvan hij afgelopen nacht het bewijs kreeg. Zij vergaten zijn zwakte te benutten en hadden hem gemakkelijk kunnen verslaan toen hij hulpeloos was. Dat dit niet gebeurde zegt genoeg. Geschapen naar menselijke maatstaven overschatten zij zichzelf en beschikken weliswaar over krachten die hem kunnen schaden en zelfs vernietigen, wat niet betekent dat zij onfeilbaar zijn. Hoe logisch, want welk nut zou deze missie hebben? Hij zou kansloos zijn!
Die conclusie stelt gerust. Wat dan ook: Goden zijn niet zoals mensen geloven. Een arsenaal aan macht maar niet alwetend of absoluut, en vol tekortkomingen wat betekent dat ze evenmin onsterfelijk hoeven zijn. Ze zijn kwetsbaar en Tork is vastbesloten deze zwakte te zoeken om de mogelijkheden naar een gelijkwaardig niveau te brengen.
Het pad daalt gestaag en de bergen worden geleidelijk lager tot ze een enorme vlakte bereiken die zich onafzienbaar uitstrekt.
Tork is blij het doodse gebergte te verlaten en overziet het ongerepte landschap dat herinnert aan eindeloze steppen. Lichte glooiingen begroeit met laag struikgewas en daartussen hoog opgeschoten gras dat wuift in de afwezige wind. 

vrijdag 27 juli 2012

the translations are back on track: a poem a day LXXXV


De Bankier / the Banker IV

Veel te veel,
zoveel dat het niet waar kon zijn
en toch geloofde ik het
Niet omdat ik accepteerde,
maar omdat ik capituleerde
Hun gelijk was mijn
voordeel. Zolang ik hen geloofde


Much too much,
so many that it couldn’t be true
and still I believed
Not because I accepted,
but because I capitulated
Their right was my
advantage. As long as I believed them

The translations are back on track: WANDERBACH page 71 (chapter 8)


Tork blinks uneasy. The shallow cave leaves part of the light outside, enough to dimmer, but if he looks right in front he sees the summery path.
The dogs moan in their sleep, haunted by dreams and he himself feels far from energetic. Cramped muscles after sitting hours in the same position he carefully stretches the legs, the arms to intensive the blood circulation while he thinks of yesterday, the future. The chances seem hopeless.
The Gods know too much. If they are capable of recreating the forms he gave the Nymphs of Wanderbach and copy Perlwachter and the guide to the smallest detail, they can mislead him in everything. Nothing can be trusted. Perhaps these mountains don’t even exist or the light is only here to confuse him. Besides he feels weak after yesterday’s orgy and he is not sure to be capable of investigating the path any further.
However he still doesn’t want to eat he takes the capsules and feeds two to the dogs after which he reluctantly swallows one himself. To his surprise energy floods almost immediately back into his body. Alert Tork watches the dogs which react the same.
After the second one the miserable feeling disappears. In spite of the ambushes they are still here. Up till now they resisted the attacks, yet he knows it was mainly because of the incompetent illusions. But they managed twice: first thanks to the dogs and after that because of his friendship with the Nymphs; without he wouldn’t have felt the necessity to thank them, and wouldn’t have interrupted his greed and had himself eaten to death almost for sure. There are hiatuses in the construction of the sent illusions and it’s up to him to trace them.

 Tork knippert onwennig. De ondiepe grot sluit een deel van het licht buiten, genoeg om te schemeren, maar als hij recht voor zich kijkt is er het zomerse pad.
De honden kreunen in hun slaap, gekweld door dromen en hijzelf voelt zich ver van energiek. Verkrampte spieren na urenlang stilzitten strekt hij voorzichtig de benen, rekt de armen om de bloedcirculatie te bevorderen terwijl hij aan gisteren denkt, de toekomst. De kansen lijken hopeloos.
De Goden weten te veel. Als ze in staat zijn de verschijningsvormen op te roepen die hij de Nymphen van Wanderbach gaf en Perlwachter en de gids tot in het kleinste detail kunnen kopiëren, waarmee kunnen ze hem dan nog misleiden? Niets is te vertrouwen. Misschien bestaat dit gebergte helemaal niet of is het licht er om hem te verwarren. Bovendien voelt hij zich verzwakt na de orgie van gisteren en hij vraagt zich af of hij wel in staat is het pad verder te verkennen.
Hoewel hij nog steeds geen zin heeft in eten pakt hij de capsules en geeft er twee aan de honden om er daarna met tegenzin zelf een weg te slikken. Tot zijn verrassing stroomt de energie bijna onmiddellijk terug in zijn lijf. Tork kijkt oplettend naar de honden die al even alert reageren.
Na de tweede pil verdwijnt het naargeestig gevoel. Ondanks de hinderlagen zijn ze er nog. Tot hiertoe hebben ze de aanvallen doorstaan al beseft hij dat het vooral aan de incompetente illusies lag. Toch is het twee keer gelukt: eerst door tussenkomst van de honden en daarna dankzij de vriendschap met de Nymphen. Zonder dat had hij niet de noodzaak gevoeld hen te bedanken, zijn vraatzucht niet onderbroken en zou hij zich meer dan waarschijnlijk hebben dood gegeten. Er zitten hiaten in het raffinement van de op hen afgestuurde illusies en het is aan hem ze op te sporen. 

zondag 15 juli 2012

Moving House




Due to moving house I have to say goodbye for a while. Also the Internet connection has to move, and the provider isn't as fast as I would want.
On the 26th of this month I'll be back, at least that's the planning.
This of course is also so for Tork and Wanderbach, the Lost Poems and my art postings.
In the mean time visit my websites if you miss me. You can find them on my blog site: http://joachimartist.blogspot.com/
Till in about two weeks
Cheers, Joachim

a poem a day LVXXXIV


de Bankier / the Banker III

Suikerhoningzoet smeerde ik
hen rond de mond
en rond hun gat
zodat ze bleven plakken


Sugar-honey-sweet I smeared
around their mouth
and around their ass
so that they would stick

WANDERBACH page 69 – 70 (end of chapter 7)


He leaves the dogs behind and walks back.
The bowls and wine are gone, the rocky wall closed seamless. Nothing remembers of what happened and rapidly he grabs his gear and runs to the path to dress.
However the danger seems to be over and they are exhausted, he wants to leave; if it’s only a little bit, as far as they can drag themselves and he is about to fall down when he discovers the shallow den.
He creeps wincing in it, empty for hunger, every fiber trembles and yet he doesn’t want to think about food. Even two small capsules arouse so much aversion that he turns away in the low shoal, back against the wall, the arms around increased knees he feels defeated, a pile of fear that peeps afraid into the future. The dogs shiver at his feet. Shall he give them a capsule?; and decides not.
Fatigued he closes the weighty eyes, no longer prepared to resist if the Gods choose this moment... 

page 70

Hij laat de honden blijven en loopt terug.
De schalen en wijn zijn verdwenen, de rotswand naadloos gesloten. Niets wijst op wat gebeurde en hij grist snel zijn spullen bijeen en holt naar het pad om zich aan te kleden.
Hoewel het gevaar voorbij lijkt en ze alle drie uitgeput zijn wil hij weg. Desnoods een klein eindje, zover ze zich kunnen slepen en hij staat op instorten wanneer hij de ondiepe uitsparing ontdekt.
Hij kruipt huiverend weg, leeg van honger, elke vezel trilt en toch wil hij niet aan eten denken. Zelfs twee kleine capsules wekken zoveel weerzin dat hij wegduikt in de lage ondiepte, de rug tegen de achterwand, de armen rond opgetrokken knieën voelt hij zich verslagen, een hoopje angst dat bang in de toekomst gluurt. De honden rillen aan zijn voeten. Zal hij hen een capsule geven?; en besluit het niet te doen.
Doodmoe sluit hij de loodzware ogen, niet bereid langer weerstand te bieden mochten de Goden dit moment kiezen...

vrijdag 13 juli 2012

a poem a day LVXXXIII


de Bankier / the Banker II

‘Vrees niet’,
zei ik bevend van ellende
om wat ik hen wellicht
zou aandoen


‘Do not fear’
I said trembling for misery
because of what I
probably would do to them 

WANDERBACH page 68


The rock in his back he pushes further up. The voracious enchantment seems to work only in the hollow. Back on the path the illusion disappears and he empties like leaking rubber, but through a very small hole.
He trembles for fear while he watches the dogs, the heads buried in the never emptying bowls. Let me be on time, he prays silent and impatient. The process is far too slow and he still feels a bit unwieldy when he runs into the hollow wavering like a duck.
Tork grabs the rough collars and drags both at the same time. The dogs seem to weight tons and resist with all power. But fear gives extra force. He has to stop the food chain, create a hiatus in the ceaseless gobbling and he succeeds in pulling away the grounding jaws from the food. A couple of inches, but it is enough.
The dogs try their utmost to get back to the luring meat and when they don’t succeed they growl at Tork who calculated this and uses their fading attention to pull the dogs further away. Because he is not impressed the animals try to make advantage of their weight to force Tork back but he is determined and the dogs suffer heaviness and apathy after the dispatch.
It costs a lot, but he is able to haul them out of the hollow, yard after yard till on the path where they collapse fatigued. At first Tork thinks that he was too late and afraid he looks at the fat, lifeless seeming bodies. Suddenly hope burns when the diminishing starts while at the same time two gasping tongues fall from the tormented muzzles. Exhausted he waits frightened and stares, but the dogs recover faster than he did.
After they crawl up foolish and look at him none understanding Tork realizes that he has to do something and gazes into the garden where his luggage and clothes are. 

Met de rots in de rug drukt hij verder omhoog. De vraatzuchtige betovering werkt blijkbaar alleen in de kom. Op het pad verdwijnt de illusie en loopt hij leeg als lek geprikt rubber, maar door een heel klein gaatje. 
Hij beeft van angst terwijl hij naar de honden kijkt, de koppen begraven in de nooit leeg rakende schalen. Laat me op tijd zijn, bidt hij stil vol ongeduld. Het proces gaat veel te traag en hij voelt zich nog steeds wat lomp wanneer hij schommelend als een eend de kom in rent.
Tork grijpt de ruwe nekkraag en sleurt aan beide tegelijk. De honden lijken tonnen te wegen en verzetten zich uit alle macht. Maar angst geeft extra kracht. Hij moet de vreetstroom doorbreken, een hiaat creëren in het onafgebroken binnenschrokken en het lukt de malende kaken bij het eten weg te trekken. Een paar centimeter, maar het is genoeg.
De honden doen hun best weer bij het lokkende vlees te komen en omdat het niet lukt keren ze zich grommend tegen Tork die er rekening mee hield en gebruikmaakt van de verslappende aandacht om de honden verder weg te rukken. Omdat hij niet onder de indruk is werpen de dieren hun gewicht in de strijd als poging hem mee te sleuren maar Tork is vastbesloten en de honden gaan gebukt onder overgewicht en lusteloosheid na de schranspartij.
Het vergt veel, maar het lukt hen meter na meter uit de kom te sleuren tot op het pad waar ze uitgeput ineen zakken. Eerst denkt Tork dat hij te laat kwam en kijkt bang naar de dikke, levenloos lijkende lijven. Plots laait de hoop wanneer de vermagering inzet terwijl tegelijk twee hijgende tongen uit de gekwelde bekken vallen. Uitgeput wacht hij bang af en staart, maar de honden herstellen sneller dan hij.
Nadat ze dwaas overeind krabbelen en hem onbegrijpend aanstaren beseft Tork dat hij iets moet doen en tuurt naar de tuin waar zijn bagage en kleding ligt. 

a poem a day LVXXXII


Waarheidsgetrouw
leid ik hen
naar iets dat ze nooit zullen bezitten


Truthful
I lead them
to something they will never possess

WANDERBACH page 67


Tork resists with all mundane power he still can apply for and feels that he is lost; the fat body too slow for the jumping around. Whining for misery he rolls up. How could he err himself so much? He let spoof, offered up to the caprice of cruel voluptuaries who play with him and want his destruction. Begging he lifts his tears covered head to the persecutors who feel his weakness and force him back mocking to the Paradise of Food.
But Tork doesn’t want anymore. Not like this! Not like a slobbering looser. He wants them go up in smoke and leave him alone to perish lonely.
With a last desperate will effort he permeates the illusion of humanity, forces them into their original shape so that they at least cannot pull at him anymore and the Nymphs solve, start to smoke and vanish in a greasy oil-cloud that smells like burning tar.
Shivering Tork looks to what he has done. The black, filthy smoke hangs like an angry beast in the hollow. Powerlessness he hits towards it. He wants the light back, to see the pond and surrender to the cool moss.
The smolder withdraws howling, ascends higher and at last disappears over the round ridge.
He feels miserable and lost. The dogs eat without stopping. Their fur starts to burst and cracks worrying. He misses the power to pull them from the food and because he can’t watch it any longer he drags himself to the path, far from what will be their doom without doubt.
Painfully he climbs out of the garden. The fat body has to fight yard after yard but al last he hoists gasping up the bare rock and rolls fatigued on his back, no longer able to move he lies down until he convalesces. Then he presses slowly up.
Painful trembling he arises, leans against the stone and stares disgusted at his bulging belly but sees to his surprise, then happy that it only covers half his thighs. He diminishes! 

Tork verzet zich met alle lome kracht die hij weet op te brengen en voelt dat hij verloren is. Het dikke lijf te langzaam voor het rond springend volkje. Jankend van ellende rolt hij zich op. Hoe kon hij zich zo vergissen? Hij liet zich bedonderen, offerde zich op aan de gril van wrede wellustelingen die met hem spelen en zijn ondergang wensen. Smekend tilt hij het betraande hoofd naar de kwelduivels die zijn zwakte voelen en hem honend terugdwingen naar Luilekkerland.
Maar Tork wil niet meer. Niet zo! Niet als een kwijlende slappeling. Hij wil dat ze opgaan in rook en hem met rust laten om eenzaam te creperen.
Met een laatste wanhopige wilsinspanning doorbreekt hij de illusie van menselijkheid, dwingt hen in hun oorspronkelijke vorm zodat ze tenminste niet meer aan hem kunnen trekken en de Nymphen lossen op, beginnen te roken en verdwijnen in een vette oliewalm die stinkt als verbrand teer.
Huiverend kijkt Tork naar wat hij heeft aangericht. De zware, smerige rook hangt als een boze wolk in de kom. Uit onmacht slaat hij ernaar. Hij wil het licht terug, de vijver zien en zich overgeven aan het koele mos.
De walm trekt krijsend terug, stijgt hoger en verdwijnt tenslotte over de ronde kam.
Hij voelt zich ellendig verlaten. De honden vreten onafgebroken. Hun vacht begint te barsten en kiert onrustwekkend. Hij mist de kracht hen weg te trekken en omdat hij het niet langer kan aanzien sleept hij zich naar het pad, ver van wat ongetwijfeld hun ondergang betekent.
Moeizaam klautert hij uit de kom. Het vadsig lijf moet meter na meter bevechten maar tenslotte hijst hij zich hijgend op de kale rots en rolt uitgeput op zijn rug, niet in staat langer te bewegen blijft hij liggen tot hij weer op adem is. Dan drukt hij zich traag overeind.
Pijnlijk trillend richt hij zich op, steunt tegen het steen en staart walgend naar de uitpuilende buik maar ziet verbaasd, dan blij dat hij nog maar de helft van zijn dijen bedekt. Hij slinkt! 

donderdag 12 juli 2012

a poem a day LVXXXI


Puistenkop glimlacht
en splijt stinkend open
Pustende wonden,
leugens spritsen regenend rond
Besmetten al wie goedgelovend is


Pimple-head smiles
and splits stinking open
Pus discharging wounds,
lies squirt raining around
Contaminate all those
who want to believe

WANDERBACH page 66


Complete hams, sausages, breasts and rumps disappear in the grinding mouth, sweeten with baskets full of fruit and flushed with gallons wine. La grande boeuf is a child’s play, Little Fat Man a toddler that has to learn. The dogs are not inferior to him and become as fat as young hippo’s, which doesn’t surprise him.
The stock stays maintained in spite of the un-allaying hunger that whirls his guts. Some ventilation from mouth or ass is enough to long for more, unsatisfied devouring. If it runs out he would start eating the Nymphs, Perlwachter and the dogs for dessert to devour himself in the end, all this to stop the raging hunger that gnaws inside and becomes more intense with every bite.
The Nymphs don’t eat anymore but watch excited. No encouragements like in the beginning and the guide quitted her exciting attentions.
Tork feels that the finale is near, yet he doesn’t have an idea what. It is the looks that accompany every bite and he gets the impression that he has to say something: a speech to thank the benefactors.
He swallows and forces himself not to reach for a next portion; it is difficult talking with a full mouth. He wants to rise for ceremonious words but his muscles are not used to the new weight and he tumbles helpless humiliating aside. For a moment he stays lying down, grabs all his willpower but falls again. Looking for help he stares around but only sees contorted faces of hate, pale and tensed that want him to eat further.
For one second Tork doesn’t know what to do. Tears weld. A word of thank was all he stopped for, just a moment and now it seems that all love has left them. Listless and alone he rolls helpless back and forth on his barrel rounded body and no one helps.
As a frightened child he scrabbles away from them and then hell vomits its bile. Bleak for anger Perlwachter jumps up, hauls at his hair to force him back to the bowls; the Nymphs dance shrieking around him. 

Hele hammen, worsten, borsten en billen verdwijnen in de malende mond, gezoet met manden vol fruit en doorgespoeld met liters wijn. La grande boeuf is kinderspel, Holle Bolle Gijs een peuter die moet leren. De honden doen niet voor hem onder en hebben inmiddels de omvang van jonge nijlpaarden, wat hem niet verbaast.
De voorraad blijft op peil ondanks de onstilbare honger die in zijn ingewanden vreet. Wat ventilatie uit mond of kont is genoeg om meer te verlangen, onverzadigbaar verslindend. Mocht het opraken, hij zou aan de Nymphen beginnen kluiven, Perlwachter en de honden als dessert om tenslotte zichzelf te verslinden, allemaal om de razende honger te stillen die aan hem knaagt en feller wordt bij elke hap.
De Nymphen eten niet meer maar kijken gespannen toe. Geen aanmoedigingen zoals in het begin en de gids stopte haar opwindende attenties.
Tork voelt dat de finale nadert, al heeft hij geen idee wat. Het zijn de blikken die elke hap begeleiden en het gevoel bekruipt hem iets te moeten zeggen: een speech om de weldoeners te bedanken.
Hij slikt en dwingt zich niet naar een volgende portie te reiken, het is lastig praten met volle mond. Hij wil opstaan voor plechtige woorden maar zijn spieren zijn niet gewend aan het nieuwe gewicht en hij stuitert hulpeloos vernederend op een zij. Even blijft hij zo liggen, grabbelt al zijn wilskracht bijeen maar valt opnieuw. Hij kijkt hulpzoekend rond en ziet alleen van haat verwrongen, bleek gespannen gezichten die willen dat hij verder eet.
Eén tel lang weet Tork niet wat te doen. Er wellen tranen. Een woord van dank was alles waarvoor hij stopte, heel even maar en nu lijkt alle liefde hen te verlaten. Vadsig en alleen rolt hij hulpeloos heen en weer op zijn tonnenrond lijf en niemand helpt.
Hij krabbelt als een bang kind bij hen vandaan en dan braakt de hel haar gal. Grauw van woede vliegt Perlwachter overeind, sleurt aan zijn haren om hem terug naar de schalen te dwingen. De Nymphen dansen krijsend rondom. 

woensdag 11 juli 2012

a poem a day LVXXX


Zij wachten op mij
Hield zijn been stijf
omzwachteld,
als een ondode met zijn kinderen aan de haal
en tekende voor het leven
Levenslang, was het niet voor mij,
dan voor de zijne


They wait for me
Held his leg rigid
bandaged,
like an undead leaving with his children
and signed for life
Life lasting, was it not for me,
than for his

WANDERBACH page 65


He is starving and looks grateful at Perlwachter who grins full mouthed and signs the guide-Nymph after which she glides towards Tork like a snake. Sweet lips feed him and he guzzles under soft rubbing breasts.
When did he undress? Tork doesn’t know. It doesn’t matter. Only this is important; a sensual stunning woman that shares food with him.
Together they drink from the same beaker and what he spills she licks clean. Life is gorcious. Happy he presses her against the cool moss and while she keeps feeding they make love.
He explodes with laughter when he sees how the dogs swell in gobbling gluttony. Soon they will yet explode and again he doubles up with laughter.
The Nymph is everywhere, satisfies but his hunger grows. He wants to eat her, tenderly grilled. Wine tastes sweet and he spills, looks down and roars with pleasure.
- ‘I am Buddha!’
His belly reaches his knees, covers the upper legs. His breasts are bigger than hers and hang heavy on the bulging tummy. He feels and his cheeks stick out his head like hamster bags, his jaws a grounding machine; the throat as shaft, from where chunks tumble down in free fall, deep into the warehouse of his stomach.
Sometimes he gives air to the pile of anger and frees a noise making burp that rattles against the rocky walls. Grinning he lifts his butt and bubbles a wave that enlightens the guts, expels the food scent to the great pleasure of the Nymphs.
Tork feels excellent in his new role of food-barn and tries his utmost to exceed himself and the dogs why he succeeds eating a small hole in the overwhelming victuals, and yet he isn’t satisfied. 

Hij is uitgehongerd en kijkt dankbaar naar Perlwachter die met volle mond naar hem grijnst en de gidsNymph een teken geeft waarna ze als een slang naar Tork glijdt. Zoete lippen voeren hem en hij zwelgt onder zacht wrijvende borsten.
Wanneer kleedde hij zich uit? Tork weet het niet. Het doet er niet toe. Alleen dit is belangrijk. Een wulps bedwelmende vrouw welke voedsel met hem deelt.
Ze drinken samen uit dezelfde beker en wat hij knoeit likt zij schoon. Het leven is verrukkelijk. Blij drukt hij haar tegen het koele mos en terwijl ze blijft voeren bedrijven ze de liefde.
Hij proest van het lachen wanneer hij ziet hoe de honden zwellen in schrokkerige vraatzucht. Straks exploderen ze nog en weer giert hij van pret.
De Nymph is overal, bevredigt maar zijn honger wordt groter. Hij zou háár willen eten, mals gegrild. Wijn proeft zoet en hij knoeit, kijkt omlaag en schatert.
- ‘Ik ben Boeddha!’
Zijn buik reikt tot de knieën, bedekt de bovenbenen. Zijn borsten zijn groter dan de hare en hangen zwaar op de puilende buik. Hij voelt aan zijn wangen die als hamsterzakken uit zijn kop steken en zijn kaken een vermalende machine. Zijn keel de schacht waarin de brokken in vrije val omlaag tuimelen tot in het pakhuis van de maag.
Soms geeft hij lucht aan de stapelwoede en lost een rommelende boer die tegen de rotswanden rochelt. Grijnzend tilt hij zijn kont en borrelt een golf die de darmen verlicht, de voedselgeur verdrijft tot groot plezier van de Nymphen.
Tork voelt zich prima in zijn nieuwe rol van vreetschuur en doet zijn best zichzelf en de honden te overtreffen waardoor het hem lukt een klein gat in de overstelpende voorraad te eten, en nog raakt hij niet verzadigd. 

dinsdag 10 juli 2012

a poem a day LVXXVIX


Heul dan,
wolven van ginds paradijs
Who the fuck, ben ik
en waar ben ik verzand
tussen booswichten allerlei?
Wie kan het wat schelen
wat ik verdien,
zolang het niet de hemel is


Be in league
wolfs from over there paradise
Who the fuck, am I
and where am I silt up
between villains of all kinds?
Who cares what I earn,
as long as it isn’t heaven

WANDERBACH page 64


At last he rips loose from the black and the dogs drag him out of the dark, back to the light.
The eye turns slower, stops and divides again and Tork shakes his puzzled head.
- ‘It was an illusion’; Perlwachter softly declares, ‘but very dangerous because it took advantage of defenseless sleep. It was a good thing that the dogs weren’t sensitive for the phenomenon.’ Tork nods. He already figured that out. But how do the Nymphs think to for come this in future? The keeper appeases him. He didn’t show without a plan but also brought a surprise.
The elderly claps and the Nymphs hover back into the cave to return with plates loaded with food and carafes of the lovely wine Tork drunk in Wanderbach.
- ‘I guessed that you would like a real meal’, Perlwachter smiles. Water runs into Torks’ mouth, just by looking and smelling but the dogs nor allow themselves to stay behind and whine for the meat.
Tork understands why twenty Nymphs had to come. It is so many, and he asks himself who all this has to eat when, to his surprise, Perlwachter and his helpers take part. No small portions as in Wanderbach; not less than he or the dogs that attack the plates like if they didn’t eat for weeks.
Tork hardly realizes; from the first morsel fruit and flesh swim in front of his eyes. He hasn’t eaten for so long. Was it the day before yesterday, he wonders while he gnaws an indefinite bone and his other hand grabs a blushing apple.
Hands full at the same time he crams ripe berries which he greedy flushes with red wine. The plates with delights don’t come to an end, and that is perfect because he feels that even this abundance will not be enough. 

Tenslotte scheurt hij los uit het zwart en de honden slepen weg uit het duister, terug naar het licht.
Het oog draait trager, stopt en deelt zich weer en Tork schudt onthutst het hoofd.
- ‘Het was een illusie’; zegt Perlwachter zacht, ‘maar zeer gevaarlijk omdat het gebruik maakte van weerloze slaap. Gelukkig waren de honden niet vatbaar voor het fenomeen.’ Tork knikt. Dat had hij zelf al bedacht. Maar hoe denken de Nymphen dit in de toekomst te voorkomen? De wachter stelt gerust. Hij kwam niet zonder plan en bracht tevens een verrassing.
De oude klapt en de Nymphen zweven terug in de grot om terug te keren met schalen voedsel en karaffen van de heerlijke wijn welke Tork in Wanderbach dronk.
- ‘Ik dacht wel dat je een echt maal op prijs zou stellen’; glimlacht Perlwachter. Het water loopt Tork in de mond alleen al door de aanblik en geur, maar de honden laten zich evenmin onbetuigd en janken naar het vlees.
Tork snapt waarom er twintig Nymphen nodig waren. Het is zoveel en hij vraagt zich af wie alles moet opeten als, tot zijn verbazing, Perlwachter en zijn helpers met hem mee doen. Geen kleine porties zoals in Wanderbach. Ze doen niet onder voor hem of de honden die op de schalen aanvallen alsof ze in weken niet hebben gegeten.
Tork realiseert het zich nauwelijks. Vruchten en vlees zwemmen voor zijn ogen vanaf de eerste hap. Hij heeft al zolang niet gegeten. Was het eergisteren?; vraagt hij zich verwonderd af terwijl hij aan een onbestemd bot kluift en met de vrije hand naar een blozende appel grijpt.
Handen tegelijk propt hij rijpe bessen naar binnen die hij gulzig wegspoelt met rode wijn. Er komt geen eind aan de schalen met heerlijkheden en dat is maar goed ook want hij heeft het gevoel dat zelfs deze overvloed onvoldoende is.

zondag 8 juli 2012

a poem a day LVXXVIII


Verkoper

‘Doe mee?’; vroeg hij mij
aan de bar van de sociëteit
Maar ik had geen zin zijn opgepepte
praat daden te zien worden
Daden die ik evenmin vertrouwde
als het gebeuzel boven een pot bier


Salesman

‘You’re in?’, he asked me
at the bar of the society
But it wasn’t my idea seeing
his pep talk coming to life
Talk that I didn’t trust more
then chitchat over a pint of beer


WANDERBACH page 63


Except the divine concentration on the path, which is without any doubt suspicious and therefore the entrance has to stay unused, traffic from the earth surface is normal to ensure communication between Nymphs and Gods. That’s why they choose a D-tour and approached the hollow straight through the mountains without crossing Torks’ path.
- ‘But why?’
- ‘Because we know about last night, young man.’ Perlwachter stares at him and his eyes grow bigger and flow together in a dark pool that slowly condenses. The contracted iris starts to whirl as a depth with in it one endless deep center in which Tork is being sucked.
He sees himself, sleeping in the tent, harassed by dreams that show the fear to fail and suddenly it seems that his spirit is being unhooked. He looks down at him, the body grubbing in the dream that just faded he hears himself ordering to follow. His body hovers and follows the mind that takes it to the far mountains where it comes to rest and is being reunited in the dark cavern. Bandaged with black fog that wheels him like a spider her prey and he is conscious of his nude sticky body while the fog sucks and sprays gas that intoxicates. He bleeds without wounds and understands that it is his soul that slowly leaks out.
He resists and the white of his eyes flashes helpless up and down but at the same time he feels so lucky that it cares less and less what happens. His body swells and shrinks under the sucking pressure that hollows him from inside, slow but purposeful he looses his self to stay behind as an empty useless shell.
Suddenly the dogs storm through the caverns. They growl against the fog that seems powerless. Their mighty jaws grab his arms and Tork feels how they pull to loosen him while their glooming eyes force the whining fog backward. 

Behalve de goddelijke concentratie op het pad dat zondermeer verdacht is en waarvan de toegang ongebruikt moet blijven, is verkeer vanaf het aardoppervlak normaal om communicatie tussen Nymphen en Goden mogelijk te maken. Daarom kozen zij een omweg en zijn de kom dwars door de bergen genaderd zonder het door Tork gebruikte pad te kruisen.
- ‘Maar waarom?’
- ‘Omdat we op de hoogte zijn van afgelopen nacht, jongeman.’ Perlwachter kijkt hem aan en zijn ogen worden groter en vloeien samen tot een donkere poel die langzaam verdicht. De samengetrokken iris begint als een kolk te draaien met daarin één oneindig diep middelpunt waarin Tork wordt meegezogen.
Hij ziet zichzelf, slapend in de tent, gekweld door dromen die faalangst verraden en ineens is het of zijn geest wordt losgehaakt. Hij kijkt omlaag naar zichzelf, het lijf dat nawoelt in de droom die het zojuist verliet hoort hij zichzelf bevel geven te volgen. Zijn lichaam zweeft en volgt de geest die het meevoert naar de verre bergen waar hij tot rust komt en herenigd wordt in de donkere spelonk. Omzwachteld met zwarte nevel die hem wentelt zoals de spin haar prooi en hij is zich bewust van zijn naakt kleverig lijf terwijl de nevel aan hem zuigt en gas sproeit dat hem bedwelmt. Hij bloedt zonder wonden en begrijpt dat het zijn ziel is die langzaam uit hem lekt.
Hij verzet zich en het wit van zijn ogen flitst hulpeloos heen en weer maar voelt zich zo gelukkig tegelijk dat het hem steeds minder interesseert wat met hem gebeurt. Zijn lichaam zwelt en slinkt onder de zuigende druk die hem van binnen uitholt, traag maar doelbewust, verliest hij zichzelf om achter te blijven als een lege nutteloze huls.
Plotseling stormen de honden door de spelonken. Ze grauwen tegen de nevel die machteloos lijkt. Hun zware kaken grijpen zijn armen en Tork voelt hen trekken om hem los te sleuren terwijl hun gloeiende ogen de jammerende nevel achterwaarts dwingen. 

a poem a day LVXXVII


Burgers, boeren, buitenlui,
bestaan ze nog, of
is alles hetzelfde?
Een wereld van verschil
waarin verschillen niet meer zijn,
verruild voor geschillen
met al te vaak dodelijke afloop


Citizens, farmers, countrymen,
do they still exist, or
is everything the same?
A world of difference
in which differences no longer are,
swapped against dissensions
that all too often deathly ends